Opgave 4 – Reële rente

Opgave 4 – Reële rente

De beslissing om te sparen is mede afhankelijk van de reële rente.
Die kunnen we berekenen met behulp van de nominale rente (figuur 1) en  de inflatie (figuur 2).

Figuur 1 –  spaarrente 1 jaar vast

spaarrente

Figuur 2 – inflatie

inflatie

a

Bereken de reële rente voor de jaren 1990, 2000 en 2010.

b

Is, op basis van deze drie getallen, sparen aantrekkelijker of minder aantrekkelijk geworden? Verklaar je antwoord.

De beslissing op te sparen is niet alleen afhankelijk van de reële rente.

c

Bereken de reële rente in 2015.

d

Leg uit waarom veel mensen in 2015 gewoon sparen.

a

koopkrachtIn 1990 is de nominale rente 10% en de inflatie 2,5%

reele rente⇒ reële rente 7,3%

In 2000 is de nominale rente 4% en de inflatie 2,6%

⇒ reële rente 1,36%

In 2010 is de nominale rente 1,5% en de inflatie 1,2%

⇒ reële rente 0,3%

Het is natuurlijk mogelijk dat er kleine verschillen door het aflezen zijn ontstaan.

b

Zowel nominaal als reëel is de rente sterk gedaald.
Sparen is dus minder aantrekkelijk geworden.

c

In 2015 is de reële rente verder gedaald.
De nominale rente is nog maar 0,1%, terwijl de inflatie 0,6%

⇒ reële rente bedraagt -0,5%

d

De koopkracht van spaargeld neemt af.

Toch blijven veel mensen sparen, omdat zij andere zaken belangrijker vinden. Bijvoorbeeld:

  • omdat zij denken in de toekomst een bepaald bedrag nodig te hebben
  • omdat zij onzeker zijn over de toekomst en daarvoor geld apart willen houden
print
2017-12-30T15:53:06+00:00