Gegeven (in mln. euro’s):
Omzet bedrijven 2540
Intermediair verbruik 1463
Saldo primaire inkomen uit het buitenland 126
Saldo kostprijsverhogende belastingen / kostprijsverlagende subsidie    330
Loonsom bedrijven 775
Overige primaire inkomens bedrijven 227
Ambtenarensalarissen 447
Afschrijvingen:  
          overheid
          bedrijven
18
75
Investeringen:  
          voorraadinvesteringen bedrijven
          bruto investeringen bedrijven
          netto investeringen overheid
36
411
21
Particuliere consumptie 910
Netto overheidsbestedingen 580
Export 500
Import 421
a

Bereken het Bruto Binnenlands Product tegen factorkosten via de objectieve methode.

b

Bereken het Bruto Nationaal Inkomen tegen marktprijzen via de subjectieve methode.

c

Bereken het Netto Nationaal Inkomen tegen marktprijzen via de bestedingenmethode.

d

Bereken de omvang van de totale bedrijfsinvesteringen in vaste activa.

e

Bereken de omvang van de materiële overheidsconsumptie.

f

Bereken de omvang van het nationale spaarsaldo.

a

Objectieve methode = via productie = via toegevoegde waarde

Omzet
Intermediair verbruik 
2540
  1463
Bruto Toegevoegde Waarde bedrijven 1077  
Bruto Toegevoegde Waarde overheid:
Ambtenarensalarissen (netto Toegevoegde Waarde overheid)  
Afschrijvingen overheid
  
447
     18
+
Bruto Binnenlands Product tegen factorkosten 1542  
b

Subjectieve methode = via primaire inkomens

Looninkomen bedrijven
Overige inkomens bedrijven 
775
  227
+
Netto Toegevoegde waarde bedrijven  1002  
Ambtenarensalarissen (netto toegevoegde waarde overheid)    447 +
Netto Binnenlands Inkomen tegen factorkosten 1449  
Afschrijvingen bedrijven + overheid     93 +
Bruto Binnenlands Inkomen tegen factorkosten 1542  
Saldo primaire inkomens uit buitenland   126 +
Bruto Nationaal Inkomen tegen factorkosten 1668  
Saldo kostprijsverhogende belastingen / kostprijsverlagende subsidie    330 +
Bruto Nationaal Inkomen tegen marktprijzen 1998  
c

Netto Nationaal Inkomen tegen marktprijzen = Y = C + I + O + E – M

C = Particuliere consumptie 910 +
I = Particuliere investeringen (netto)    (411-75) +
O = Overheidsbestedingen (netto)  580 +
E = Export  500 +
M = Import      421
Y 1905  
d

Indeling investeringen

Bruto investeringen 411  
Voorraadinvesteringen     36
Investeringen in vaste activa   375  
e

overheidsuitgaven

Netto overheidsbestedingen  580  
Netto overheidsinvesteringen     21
Overheidsconsumptie 559  
Ambtenarensalarissen    447
Materiële overheidsconsumptie   112  
f

Het nationale spaarsaldo kun je op 3 manieren uitrekenen:

  1. via (S-I)+(B-O)
  2. via y-(C+I+O)
  3. via (E-M)

Die laatste gaat het makkelijkst: 500 – 421 = 79 (overschot)

print