Opgave 3 – Prijselasticiteit

Opgave 3 – Prijselasticiteit

Vraag 1

De collectieve vraag naar bananen kan modelmatig worden weergegeven middels volgende vergelijking:

Qv = – 50P + 27.500

Qv = gevraagde hoeveelheid bananen in kilo’s per maand
P = prijs van bananen in eurocenten per kilo

Door een mislukte oogst in Azië stijgt de prijs van € 2,10 naar € 2,35.

a

Bereken de prijselasticiteit van de vraag bij de genoemde prijsverandering.

b

Is de vraag naar bananen prijselastisch of prijsinelastich? Verklaar je antwoord.

Helaas voor de bananenliefhebber stijgt de prijs van bananen nogmaals met € 0,25 door een burgeroorlog in Colombia.

c

Bereken opnieuw de prijselasticiteit van de vraag bij de tweede prijsverandering.

d

Verklaar het verschil in uitkomst tussen vraag 1a en vraag 1c. 

Vraag 2

De collectieve vraag naar een bepaald type rekenmachine kan modelmatig worden weergegeven middels de volgende vergelijking:

Qv = – 140P + 22.500

Qv = gevraagde hoeveelheid rekenmachines per maand
P = prijs van rekenmachines in euro’s per stuk

De prijs van de rekenmachine bedraagt in de uitgangssituatie € 85.

a

Bereken de prijselasticiteit van de vraag in de uitgangssituatie.

b

Zal de marktomzet van deze rekenmachine stijgen/dalen/gelijk blijven indien de prijs van de rekenmachine wordt verlaagd? Verklaar je antwoord zonder een berekening.

Vraag 1

a

 

OORZAAK: prijs gaat van € 2,10 naar € 2,35 → + 11,9%

GEVOLG: vraag gaat van 17.000 naar 15.750 (prijzen invullen in de vraagfunctie) → – 7,35%

ev_2_antw1

b

De elasticiteit ligt tussen de -1 en de 0.
Dus er is sprake van een relatief inelastische vraag; dat wil zeggen dat de procentuele verandering van de vraag relatief kleiner is dan de procentuele verandering van de prijs.

c

prijselasticiteit

OORZAAK: prijs gaat van € 2,35 naar € 2,60 → + 10,6%

GEVOLG: vraag gaat van 15.750 naar 14.500 (prijzen invullen in de vraagfunctie) → – 7,94%

ev_2_antw2

d

Het verschil in antwoord wordt veroorzaakt doordat je met procentuele veranderingen werkt.

Eenzelfde absolute verandering (prijs stijgt met € 0,25 en vraag daalt met 1.250) geeft afhankelijk van je beginwaarde dus een ander percentage.
Dat kun je zien aan de percentages bij vraag 1a en 1c:

€ 0,25 stijgen van de prijs geeft een steeds lager percentage als de prijs stijgt
1.250 producten minder geeft een steeds hoger percentage als de vraag daalt

Door die verandering zal de vraag dus steeds een beetje elastischer worden naarmate de prijs verder stijgt.

Vraag 2

a

Zolang je met een rechte vraaglijn werkt, mag je zelf een verandering verzinnen. Dat maakt voor de berekening van de elasticiteit niet uit.
MAAR: je vertrekpunt (oud in je procentberekening) is de uitgangssituatie!! 

Qv = – 140P + 22.500

Wanneer de prijs zou stijgen naar
bijvoorbeeld € 95
Wanneer de prijs zou dalen naar
bijvoorbeeld € 50

OORZAAK: prijs gaat van 85 naar 95 → + 11,76%

GEVOLG: vraag gaat van 10.600 naar 9.200 → -13,21%

ev_2_antw3a

OORZAAK: prijs gaat van 85 naar 50 → -41,18%

GEVOLG: vraag gaat van 10.600 naar 15.500 → +46,23%

ev_2_antw3b

b

De vraag is prijselastisch. De vraag zal dus in procenten méér veranderen dan de prijs.

Bij een (procentuele) prijsdaling zal de vraag dus relatief meer stijgen. De omzet zal dus toenemen.

print
2017-12-10T13:57:11+00:00