Opgave 2 – Inflatie

Opgave 2 – Inflatie

Als maatstaf voor de prijsontwikkeling wordt door het CBS maandelijks de consumentenprijsindex (CPI) berekend.
Dit CPI speelt een belangrijke rol bij CAO-onderhandelingen.

a

Beschrijf welke rol de CPI hierbij speelt.

De CPI wordt berekend als een gewogen gemiddelde van de maandelijkse prijsveranderingen van een bepaald pakket producten.

b

Om welke reden wordt bij de bepaling van de CPI gewogen?

In de onderstaande figuur zijn de huishoudens naar hun inkomen ingedeeld in vier groepen. Voor iedere groep huishoudens staat het bestedingspatroon weergegeven in 2005 en 2008.

PERCENTAGE VAN DE BESTEDINGEN PER INKOMENSGROEP
Voor de vier inkomensgroepen geldt:
A = gemiddeld inkomen € 19.000 per jaar
B = gemiddeld inkomen € 33.000 per jaar
C = gemiddeld inkomen € 49.000 per jaar
D = gemiddeld inkomen € 80.000 per jaar

 2005

 2008

wonen
ontspanning
kleding
voeding
vervoer
woninginrichting

Behalve de zes weergegeven bestedingscategorieën bestaat er de categorie “overige bestedingen”.

c

Bereken welk percentage van de bestedingen de hoogste inkomensgroep in 2008 uitgeeft aan “overige bestedingen”.

De wegingsfactoren die gebruikt worden bij de berekening van de CPI, moeten regelmatig worden aangepast.

d

Leid uit de figuur de reden voor deze aanpassing af.

Stel dat de prijsindex voor wonen in de periode 2005-2008 steeg met 25%.

e

Leg aan de hand van de figuur uit dat hogere inkomensgroepen hierdoor in verhouding tot lagere inkomensgroepen minder sterk worden getroffen.

a

Het CPI geeft aan hoeveel de prijzen in een jaar zijn gestegen. Vakbonden zullen bij de onderhandelingen over de loonstijgingen tenminste eisen dat de koopkracht behouden blijft. Voor een constante koopkracht moeten de lonen net zo hard stijgen als de prijzen.
Het CPI zal dus als basis voor de looneisen dienen (want daarbovenop willen de vakbonden waarschijnlijk ook nog een koopkrachtverbetering (initiële loonstijging)).

b

Door een weging toe te passen, wordt bereikt dat niet elke prijsstijging even zwaar mee telt in het gemiddelde. Op deze wijze kunnen belangrijke uitgaven ook zwaarder mee tellen in het gemiddelde.

c

Voor de hoogste inkomens (D) geldt in 2008:

wonen 
voeding 
kleding 
ontspanning 
vervoer
woninginrichting
23%
13%
8%
22%
13%
+      7%
  86%
Het totaal zal op 100% moeten uitkomen, dus voor de categorie ‘overige’ geldt een percentage van 14%
d

De staafjes van 2005 en 2008 zijn niet even lang. Dat wil zeggen dat het aandeel van bepaalde uitgaven in het totaal (gewicht) verandert. Om een goed gewogen gemiddelde te krijgen moeten dus steeds de juiste (nieuwe) gewichten worden gebruikt.

e

Hogere inkomens geven 23% van hun inkomen uit aan wonen.
Lagere inkomens geven 32% van hun inkomen uit aan wonen.
Als wonen duurder wordt zal dat het meest vervelend zijn voor diegenen die er relatief veel geld aan kwijt zijn (de lagere inkomens).

print
2018-02-21T11:24:30+00:00