Vraag 1

De organisatiegraad van de werknemers daalt dramatisch, zoals uit onderstaande afbeelding blijkt.

De staafjes lijken te laten zien dat de grootste daling tussen 1970 en 1990 plaats vond.

a

Bereken met hoeveel procent de organisatiegraad in de getoonde periode is gedaald?

b

Bereken met hoeveel procent de organisatiegraad tussen 1970 en 1990 is gedaald?
Doe hetzelfde voor de periode 1990 tot 2020.

Lees het fragment en beantwoord dan de vragen.

c

Leg uit waarom jongeren en mensen die minder uren werken minder snel lid worden van een vakbond.

Scholieren met een bijbaantje worden ‘beschermd’ door wettelijk minimumloon en door CAO’s. Hierin spelen vakbonden een belangrijke rol.

d

Denk jij dat je lid gaat worden van een vakbond als je gaat werken? Verklaar je keuze.

Fragment uit de krant

In de afgelopen jaren was gemiddeld 19 procent van alle werknemers van 15 tot 75 jaar lid van een vakbond. De organisatiegraad wordt lager als het aantal uren dat iemand werkt daalt. Dat komt ook omdat het dan veelal om jongeren gaat die minder vaak lid zijn.

Opmerkelijk is dan wel om te constateren dat c.a. 60% van alle werknemers vakbonden belangrijk vinden. Ook de jongeren. Dat komt waarschijnlijk omdat de bonden voor circa 80% van de werkende beroepsbevolking een collectieve arbeidsovereenkomsten afsluiten.

Vakbonden vertegenwoordigen werknemers binnen een bepaalde bedrijfstak. Daardoor kunnen vakbonden goed inspelen op specifieke ontwikkelingen binnen zo’n sector.
Al deze (sector-)vakbonden zitten weer samen in één grote vakcentrale.

Deze (verouderde) manier waarop de vakbonden georganiseerd zijn kan mede oorzaak zijn van de dalende organisatiegraad, omdat deze structuur niet meer goed past bij de flexibilisering van de arbeidsmarkt.

e

Leg uit hoe de manier waarop vakbonden georganiseerd zijn in combinatie met de flexibilisering van de arbeidsmarkt de dalende organisatiegraad kan verklaren.

f

Leg uit waarom werknemers, ook op een flexibele arbeidsmarkt, belang hebben bij een sterke vakbond.

Vraag 2

Onderstaande matrix beschrijft de situatie tussen vakbond en werkgever in de onderhandeling over nieuwe arbeidsvoorwaarden.

De smiley’s geven aan hoe gunstig of ongunstig een uitkomst voor de onderhandelaars is:
heel tevreden, een beetje tevreden, een beetje ontevreden, heel ontevreden.

a

Bepaal wat de beste reactie in de onderhandeling zal zijn voor de werkgever.

b

Bepaal wat de beste reactie in de onderhandeling zal zijn voor de vakbond.

c

Wat is dus de waarschijnlijke uitkomst in deze onderhandeling?

d

Is dit ook de best mogelijke uitkomst voor beide partijen?

Opgave 1

a

Van 36 naar 18.
Een daling van 18 t.o.v. 36 = -50%

b

1970 – 1990
Van 36 naar 24.
Een daling van 12 t.o.v. 36 = -33,3%

1990-2020
Van 24 naar 18.
Een daling van 6 t.o.v. 24 = -25%

c

Ook jongeren en mensen die weinig uren werken hebben voordeel van een vakbond, maar:

  • Zij verdienen minder, waardoor de kosten van lidmaatschap relatief hoog zijn (ten opzichte van de opbrengsten).
  • Jongeren hebben geen langdurige relatie met hun werk en dus ook niet met de sector waar de vakbond actief is.
d

eigen mening.

Denk aan argumenten, zoals:

  • Geen lid: ook zonder kosten kunnen profiteren van het nut van de vakbonden.
  • Geen lid: toch maar kort werkzaam in die sector.
  • Wel lid: belangrijk om rechten van werknemers te beschermen dat vakbond sterk blijft.
e

Als mensen door de flexibilisering steeds van bedrijf wisselen, krijgen ze ook steeds vaker te maken met een andere vakbond (sector). Dat verlaagt de betrokkenheid.

f

Ook als je tijdelijk ergens actief bent is in ELKE sector een sterke vakbond nodig om voor jouw belangen op te komen.
Dat werkt alleen als veel mensen in veel sectoren lid zijn.

Dus als een werknemer wisselt van bedrijf, profiteert hij van lidmaatschap van andere werknemers in die sector.

Opgave 2

a
  • Wanneer de vakbond ’toegeeft’, kan de werkgever het beste een ‘laag bod’ kiezen (heel tevreden i.p.v. een beetje tevreden)
  • Wanneer de vakbond een ‘hoge eis’ stelt, kan de werkgever het beste een ‘laag bod’ kiezen (een beetje ontevreden i.p.v. heel ontevreden)

b
  • Wanneer de werkgever kiest voor ’toegeven’, kan de vakbond het beste een ‘hoge eis’ stellen (heel tevreden i.p.v. een beetje tevreden)
  • Wanneer de werkgever kiest voor een ‘laag bod’, kan de vakbond het beste een ‘hoge eis’ stellen (een beetje ontevreden i.p.v. heel ontevreden)

c

De werkgever zal steeds vasthouden aan een ‘laag bod’, terwijl de vakbond steeds zal vasthouden aan een ‘hoge eis’.
De waarschijnlijke uitkomst is dus een conflict waarbij de vakbond een hoge eis stelt en de werkgever een lag bod doet.

d

Nee.
Een betere uitkomst voor beide partijen is ’toegeven, toegeven’. Dan zijn ze allebei een beetje tevreden in plaats van een beetje ontevreden.

print