Domeinen Goede Tijden, Slechte Tijden en Welvaart en groei
Een econoom kijkt met behulp van twee vereenvoudigde modellen naar de economische groei op korte termijn (figuur 1) en op de lange termijn (figuur 2). Met behulp van deze modellen kan de econoom onderzoeken hoe de economische groei kan worden gestimuleerd.
figuur 1 economische kringloop (pijlen zijn geldstromen)
| 1 | Leg uit of er bij figuur 1 sprake is van een Keynesiaans model of een Nieuw klassiek model. |
De econoom analyseert met behulp van figuur 1 twee opties om de economische groei op korte termijn te stimuleren:
- de autonome overheidsbestedingen stimuleren.
- de autonome consumptie stimuleren.
| 2 | Leg uit welke optie het sterkste effect heeft op de groei van het nationaal inkomen. |
De economische groei op lange termijn kan worden bestudeerd met behulp van de productiefunctie: Y = A*f(K,L)
waarbij:
Y = potentieel nationaal inkomen
A = factorproductiviteit
K = de hoeveelheid beschikbaar kapitaal
L = de hoeveelheid beschikbare arbeid
Legenda:
Y1 = de productiefunctie in de uitgangssituatie
Y2 = de productiefunctie na het stimuleren van R&D-investeringen
| 3 | Leg aan de hand van de productiefunctie Y1 uit dat de marginale winst van extra productie zal afnemen, als de inzet van de productiefactor arbeid toeneemt. |
De econoom concludeert: “Door de R&D-investeringen te stimuleren, kan de totale factorproductiviteit op lange termijn stijgen. Daardoor zal de productiefunctie in figuur 2 van Y1 naar Y2 verschuiven.”
| 4 | Leg de conclusie van de econoom uit. |

