Model – 3

Model – 3

Verschillende multipliers

Modellen kunnen van steeds weer andere vergelijkingen worden voorzien. Ook kunnen bekende vergelijkingen worden voorzien van nieuwe factoren die binnen het model invloed hebben. Dat kan tot gevolg hebben dat verschillende autonome bestedingen verschillende multiplier hebben.

Zo kan uit een model blijken dat het effectiever is voor de overheid om € 2 mld. extra te besteden dan om diezelfde € 2 mld. als belastingverlaging aan de burgers te geven.

In het onderstaande geval worden twee vernieuwingen geïntroduceerd die dit illustreren:

  • de belastingfunctie wordt ook deels autonoom (er komt een belastingvrij bedrag (heffingskorting))
  • de investeringen worden deels afhankelijk van de hoogte van het nationaal inkomen (afzet)

De nieuwe belastingfunctie

De belastingen zijn deels afhankelijk van de hoogte van het inkomen en deels autonoom.

B = bY + Bo   B = 0,25Y – 10

De autonome belasting (Bo) kan zowel een positieve als een negatieve waarde hebben:

  • Bo < 0
    Er is dan sprake van een belastingvrij bedrag (of een heffingskorting).

  • Bo > 0
    Er zijn dan belastingen die niet afhangen van het inkomen (bijv. retributies).

De nieuwe investeringsfunctie

De investeringsfunctie is nu ook deels afhankelijk van de huidige afzet van bedrijven.

I = iY + Io   I = 0,1Y + 70

Het nieuwe model

In symbolen Bijvoorbeeld
C = cYb + Co
Yb = Y – B
B = bY + Bo
I = iY + Io
O = Oo
EV = C + I + O
Y = EV
C = 0,75Yb + 50
Yb = Y – B
B = 0,25Y – 10
I = 0,1Y + 70
O = 90
EV = C + I + O
Y = EV

Wanneer we dit model oplossen en het evenwichtsinkomen berekenen, vinden we:

De eindvergelijking Oplossing voorbeeld
Y ≈ 644

Verschillende multipliers

Wanneer we de waarden van de verschillende marginale quote invoeren, krijgen we de volgende eindvergelijking:

Delen door een breuk is vermenigvuldigen met het omgekeerde van die breuk. Wanneer we dat doen, krijgen we iets duidelijker de multiplier (vermenigvuldigingsfactor) zichtbaar.
We krijgen dan de volgende eindvergelijking:

Co, Io en Oworden vermenigvuldigd met  (≈2,96).

De autonome belastingen (Bo) niet alleen worden vermenigvuldigd met  (≈2,96) maar ook met -0,75.
De autonome belastingen hebben dus een vermenigvuldigingsfactor van 2,96 × -0,75 = -2,22.

We krijgen dan de volgende eindvergelijking:

In deze eindvergelijking kunnen we nu twee verschillende multipliers. Eén voor Co, Io en Oo. En een andere voor Bo.
Dat de multiplier voor de belastingen negatief is zal niet verwonderlijk zijn. Een verlaging van de belastingen, leidt tot meer besteedbaar inkomen voor gezinnen, dus tot meer consumptie en dus tot een hoger nationaal inkomen. Er is dus een negatief verband, dus is er sprake van een negatieve multiplier.

Kijken we naar de (absolute) waarde van de twee multiplier, zien we dat de multiplier van de Oo groter is dan van de Bo. Om het nationaal inkomen met bijvoorbeeld 10 mld te laten stijgen, hoeft de overheid haar eigen bestedingen minder te verhogen dan de belastingen te verlagen.
Dit effect wordt veroorzaakt door het zogenaamde spaarlek.
Als de overheid zélf extra geld uitgeeft, leidt dat rechtstreeks en voor 100% tot extra productie.
Geeft de overheid de gezinnen extra inkomen door de belastingen te verlagen, zullen gezinnen een deel van dit inkomen sparen. Bij een marginale consumptiequote van 0,75 wordt 25% gespaard. Een belastingverlaging wordt dus niet voor 100% omgezet in extra bestedingen en dus in extra productie.

print
2018-04-21T12:32:38+00:00