Een Keynesiaans model, genoemd naar de econoom J.M. Keynes, beschrijft de economie op korte termijn. Het model laat zien dat de productie op korte termijn wordt bepaald door de hoogte van de bestedingen bij een gegeven productiecapaciteit.

Om het model goed te doorgronden lijkt het handig om de wiskundige variant van het model te behandelen, ondanks het feit dat dit als zodanig niet in de examens behandeld zal worden.
In dit model onderscheiden we:

  • Bestedingen
    die worden weergegeven met een hoofdletter. Zoals C van consumptie.

  • Autonome bestedingen
    dat is het deel van de bestedingen dat niet binnen het model verklaard wordt. De omvang hiervan wordt bepaald door factoren die buiten het model liggen, zoals het consumentenvertrouwen.
    Autonome bestedingen worden geschreven met een hoofdletter en een subscript o. Bijvoorbeeld Co

  • Marginale bestedingen
    dat is het deel van de bestedingen dat afhankelijk is van de hoogte van het inkomen; elke extra euro inkomen leidt dan tot extra bestedingen.
    Deze marginale bestedingsquotes worden weergegeven met een kleine letter.
    Bijvoorbeeld de marginale consumptiequote: c

Consumptievergelijking

Voor een deel is dat bedrag afhankelijk van het besteedbare inkomen van de gezinnen (het nationale inkomen ná belasting). We spreken van het zogenaamde geïnduceerde deel van de consumptie. De marginale consumptiequote (c) geeft aan hoeveel van elke extra euro besteedbaar inkomen er extra wordt geconsumeerd:

C = c(Y-B)   C = 0,8(Y-B)

Voor een ander deel is het bedrag dat gezinnen uitgeven aan consumptie autonoom (exogeen): Co
Dat wil zeggen dat de omvang van dit deel wordt bepaald door factoren die zich buiten het model bevinden, zoals het consumentenvertrouwen of de hoogte van de rente.

De totale consumptiefunctie wordt dan:

C = c(Y-B) + Co   C = 0,8(Y-B) + 20

Belastingvergelijking

De belastingen zijn deels afhankelijk van de hoogte van het inkomen en deels autonoom.

B = bY + Bo   B = 0,25Y + 5

De autonome belasting (Bo) kan zowel een positieve als een negatieve waarde hebben:

  • Bo > 0
    Er zijn dan belastingen die niet afhangen van het inkomen.
  • Bo < 0
    Er is dan sprake van een belastingvrij bedrag (of een heffingskorting).

(Voorgenomen) Investeringen

De hoogte van de voorgenomen investeringen wordt vaak beschouwd als een autonome grootheid, bepaald door bijvoorbeeld het ondernemersklimaat. De verklaring van de waarde van een autonome grootheid valt buiten het model.

Hierdoor ziet de investeringsfunctie er als volgt uit:

I = Io   I = 45

Het komt wel eens voor dat in een model de hoogte van de rente of de output gap worden opgenomen in de investeringsfunctie.

Overheidsbestedingen

De overheidsbestedingen worden meestal volledig autonoom verondersteld:

O = Oo   O = 90

De effectieve vraag

De effectieve vraag uit een optelsom van alle bestedingen.
Welke bestedingen er zijn, is afhankelijk van het model. In dit model, met een gesloten economie, bestaan de bestedingen uit consumptie, investeringen en overheidsbestedingen. We geven voor dit model de volgende definitievergelijking:

EV = C + I + O

In een model waarin we het buitenland zouden opnemen, verandert de definitie in bijvoorbeeld:
EV = C + I + O + E – M

Evenwicht

Er is evenwicht in de (reële) economie wanneer voorgenomen bestedingen (EV), productie (W) en inkomen (Y) aan elkaar gelijk zijn.

EV = W
W = Y

Of korter:
EV = Y

In de evenwichtssituatie zijn de voorgenomen investeringen van bedrijven gelijk aan de werkelijke investeringen.
Is er geen sprake van evenwicht, dan is er een verschil ontstaan tussen voornemen en werkelijkheid. Dat wil zeggen dat de voorraden (onderdeel van de totale investeringen) ongepland zijn toe- of afgenomen.

Het hele model

C = 0,8(Y – B) + 20

B = 0,25Y + 5

I = 45

O = 90

EV = C + I + O

Y = EV

Het model oplossen

Daarvoor berekenen we het evenwichtsinkomen (Ȳ).
We substitueren (invullen) dan net zolang vergelijkingen in de evenwichtsvoorwaarde (Y = EV) totdat alleen Y als onbekende grootheid uitgerekend kan worden.

Y = C + I + O

Y = 0,8(Y-(0,25Y + 5)) + 20 + 45 + 90

Y = 0,8(0,75Y – 5) + 155

Y = 0,6Y – 4 + 155

0,4Y = 151

Ȳ = 377,5

Evenwicht

De productie leidt tot een evenwichtsinkomen van 377,5.
In onderstaande tabel zien we dat in de evenwichtssituatie productie en inkomen gelijk zijn aan de voorgenomen bestedingen.

Besteding Berekening bij evenwichtsinkomen Waarde
Consumptie C = 0,8(Y-(0,25Y + 5))+20
C = 0,8(377,5-(0,25×377,5 + 5))+20
242,5
Investeringen 45 45
Overheidsbestedingen 90 90
  totaal 377,5 

Stel dat er géén evenwicht is en dat de productie en dus het nationaal inkomen 450 is.

Besteding Berekening bij evenwichtsinkomen Waarde
  totaal 450
Consumptie C = 0,8(Y-(0,25Y + 5))+20
C = 0,8(450-(0,25×450 + 5))+20
286
Overheidsbestedingen 90 90    
Werkelijke investeringen I = Y – (C + O) 74
Voorgenomen investeringen 45 45   
  ongeplande voorraadmutatie (toename) 29

Door de (te) hoge productie zijn niet alle producten verkocht. De voorraden zijn ongepland toegenomen en de bedrijven hebben méér geïnvesteerd dan voorgenomen.

print