Herexamen 2003 havo – Staatsschuld onder controle

Herexamen 2003 havo – Staatsschuld onder controle

De Nederlandse rijksbegroting voor 2002 (figuur 5) sluit volgens deskundigen aan bij het regeringsbeleid gericht op het gezond maken van de overheidsfinanciën. De afgelopen jaren heeft de Nederlandse regering alles in het werk gesteld om de groei van de staatsschuld te beteugelen. Een van de voorwaarden om mee te mogen doen met de Economische en Monetaire Unie (EMU) had namelijk betrekking op de staatsschuldquote: de staatsschuld mocht maximaal 60% van het nationale inkomen bedragen. Sinds het jaar 2000 voldoet Nederland aan deze voorwaarde.

Figuur 5

1 Welke van de genoemde rijksinkomsten behoren tot de directe belastingen? Laat daarbij de overige belastingen buiten beschouwing.

Directe belastingen betaalt de belastingbetaler rechtstreeks aan de overheid, terwijl indirecte belastingen (=kostprijsverhogende belastingen) worden verrekend via een tussenpartij.

In de klas wordt de vraag gesteld op welke manier het tekort op de rijksbegroting wordt gefinancierd.
Daar worden diverse antwoorden op gegeven:

  • Peter: door het verhogen van de belastingtarieven

  • Agnes: door het uitgeven van staatsobligaties

  • Omar: door het verlagen van de aflossing op de staatsschuld

  • Tietske: door het verlagen van de overige uitgaven

2 Wie geeft het juiste antwoord?

Wat zou jij doen als je in een periode meer moet uitgeven dan er binnen komt?

3 Neemt de staatsschuld in 2002 volgens de begroting toe of af? Bereken ook met welk bedrag.

De staatsschuld neemt toe als er sprake is van een financieringstekort.

Het financieringstekort/-overschot reken je uit door het begrotingstekort te vergelijken met het bedrag aan aflossingen dat in de uitgaven is opgenomen.

4 Welk gegeven ontbreekt om de begrote staatsschuld aan het einde van 2002 te kunnen berekenen?

De staatsschuld is de (absolute waarde) totale omvang van de schuld van de overheid.

Ook als de staatsschuld groeit, kan de staatsschuldquote dalen.
Hieronder staan vier situaties:

  1. Het nationale inkomen is groter dan de staatsschuld.
  2. De aflossing op de staatsschuld is groter dan het begrotingstekort.
  3. Het nationale inkomen groeit relatief meer dan de staatsschuld.
  4. Het financieringstekort en het begrotingstekort dalen beide relatief.
5 In één van deze situaties daalt de staatsschuldquote bij een groeiende staatsschuld: welke situatie is dat?
1

inkomstenbelasting en vennootschapsbelasting

2

Agnes

  • Peter: wanneer de overheid de belastingen verhoogt, zijn er meer inkomsten en verdwijnt het begrotingstekort – de vraag is wat je kunt doen als er een tekort IS.
  • Omar: aflossingen zijn beloftes dat het geld zal worden terug gegeven. Wanneer de overheid die belofte niet na komt, zal het héél moeilijk worden in de toekomst nog geld te lenen. Bovendien verdwijnt ook hierdoor het begrotingstekort, terwijl de vraag is wat je kunt doen als er een tekort IS.
  • Tietske: wanneer de overheid de uitgaven verlaagt, zijn er minder uitgaven en verdwijnt het begrotingstekort – de vraag is wat je kunt doen als er een tekort IS.
3

af

Een voorbeeld van een juiste berekening is:
begrotingstekort: € 150,1 miljard − € 129,6 miljard = € 20,5 miljard
financieringsoverschot (= afname staatsschuld): € 24,4 miljard − € 20,5 miljard = € 3,9 miljard

4

Uit het antwoord moet blijken dat het gaat om de schuld aan het begin van het jaar 2002 / aan het einde van het jaar 2001.

5

in situatie 3

  • 1 – in dat geval is de ssq < 100% | het zegt niets over de VERANDERING van de ssq
  • 2 – in dat geval zou er een financieringsoverschot zijn, waardoor de schuld daalt | in de opgave staat “ook als de staatsschuld groeit”
  • 4 – een daling van het financieringstekort wil zeggen dat de staatsschuld minder groeit, maar omdat je niet weet wat het nationaal product (of: inkomen) doet, weet je ook niet wat er dan gebeurt met de ssq
print
2018-01-03T15:10:31+00:00