In een land wordt een discussie gevoerd over de manier waarop belasting geheven zou moeten worden. In deze discussie worden allerlei argumenten gebruikt voor of tegen een bepaald stelsel. Deze argumenten hebben onder andere betrekking op de invloed van het belastingstelsel op de personele inkomensverdeling, op de werking van de arbeidsmarkt en op de allocatie van de productiefactoren in dit land. Er worden twee mogelijke stelsels met elkaar vergeleken.

Opmerking: 
voor de eenduidigheid veronderstellen we dat in deze opgave bij beide stelsels de totale belastingopbrengsten gelijk zijn.

STELSEL 1
belasting op inkomen uit arbeid en/of uit sociale zekerheid

aftrekposten

  • geen

belastingtarief

  • € 0 − € 20.000            16%
  • € 20.001 − € 40.000   40%
  • > € 40.000                  55%

belastingkorting

  • € 3.000 per persoon, voor inkomen uit arbeid en/of uit sociale zekerheid
belasting op inkomen uit vermogen

vrijstellingen

  • beleggingen in een startende onderneming
  • beleggingen in milieuverbetering

belastingtarief

  • 25% over het inkomen uit vermogen
  • 25% van de jaarlijkse stijging van de waarde van het vermogen
belasting toegevoegde waarde (btw)

0% op producten van de collectieve sector

6% op primaire producten in de marktsector

19% op overige producten in de marktsector

STELSEL 2
belasting op inkomen uit arbeid en/of uit sociale zekerheid

aftrekposten

  • geen

belastingtarief

  • 25% over het gehele inkomen

belastingkorting

  • € 3.000 per persoon, uitsluitend voor inkomen uit arbeid
belasting op inkomen uit vermogen

vrijstellingen

  • geen

belastingtarief

  • 25% over het inkomen uit vermogen
belasting toegevoegde waarde (btw)

10% op alle producten

1 Beschrijf het verschil tussen beide stelsels als het gaat om de invloed op de secundaire inkomensverdeling. Betrek hierbij zowel de belastingtarieven als de belastingkortingen.

Secundair inkomen is het inkomen nadat er inkomstenbelasting betaald is en (eventueel) inkomensafhankelijke uitkeringen ontvangen zijn.

Bij dit soort vragen gaat het meestal om de mate waarin de stelsels nivelleren / denivelleren.

2 Beschrijving het verschil tussen beide stelsels als het gaat om de prikkel voor niet-werkenden tot het zoeken van betaald werk.

Er is sprake van een armoedeval wanneer iemand ten opzichte van een uitkering er niet/nauwelijks op vooruit gaat wanneer hij gaat werken.

3 Beargumenteer waarom stelsels 1 de voorkeur heeft boven stelsel 2 als het gaat om het effect van het stelsel op de innovatie van de economie van het land.

Innovatie is het ontwikkelen en met succes introduceren van nieuwe producten of nieuwe productieprocessen. Hetgeen wordt gestimuleerd als er geld mee te verdienen is.

4 Beargumenteer waarom stelsels 2 de voorkeur heeft boven stelsel 1 als het gaat om het effect van het stelsel op de innovatie van de economie van het land.

Innovatie vindt plaats binnen bedrijven. De beloning hiervan gaat meestal in de vorm van winst naar de eigenaren.

5 Beargumenteer waarom stelsels 2 de voorkeur heeft boven stelsel 1 als het gaat om de doelmatigheid van de belastingheffing.

Met doelmatigheidsbeginsel stelt dat de belastingen zodanig moeten zijn, dat de opbrengsten zo gunstig mogelijk zijn. Dus veel opbrengsten tegen weinig kosten om het uit te voeren.

6 Beargumenteer waarom stelsels 2 de voorkeur heeft boven stelsel 1 als het gaat om het effect van het stelsel op het werken in de informele sector.

Hoe meer belasting je kunt ontduiken met zwartwerken, hoe minder erg de negatieve kanten (zoals onverzekerd zijn) van zwartwerken zijn.

1

Met betrekking tot de belastingtarieven:

  • Te denken valt aan een sterkere mate van nivellering in stelsel 1 in verhouding tot stelsel 2 door oplopende schijftarieven in stelsel 1 tegenover een uniform tarief in stelsel 2.
  • Te denken valt aan een sterkere mate van nivellering in stelsel 1 in verhouding tot stelsel 2 door de heffing op de stijging van de waarde van het vermogen, die vooral zal drukken op de hogere inkomens. Deze heffing ontbreekt in stelsel 2.

Met betrekking tot de belastingkortingen:

  • Te denken valt aan een sterkere mate van nivellering in stelsel 1 in verhouding tot stelsel 2 doordat in stelsel 1 de belastingkorting ook geldt voor de doorgaans lagere inkomens uit sociale zekerheid.
2

Te denken valt aan:

  • het ontbreken van een prikkel in stelsel 1 om vanuit een uitkering tegen een vergelijkbaar inkomen uit arbeid te gaan werken, terwijl deze prikkel wel aanwezig is in stelsel 2 doordat in dit stelsel de belastingkorting uitsluitend verkregen wordt bij het ontvangen van inkomen uit arbeid.
  • een grotere prikkel in stelsel 1 voor schoolverlaters om betaald werk te zoeken, omdat daar het tarief van de eerste schijf relatief laag is.
3

Door de vrijstelling voor bepaalde beleggingen in een startende onderneming of in milieuverbetering meer wordt bevorderd dan in stelsel 2.

4

Stelsel 2 stimuleert innovatie in het algemeen, doordat vermogensaanwas in dit stelsel niet extra belast wordt, hetgeen kapitaalvorming stimuleert.

5

Te denken valt aan een grotere mate van doelmatigheid vanwege:

  • de eenvoudige opzet van stelsel 2 waardoor de uitvoeringskosten laag zijn in verhouding tot stelsel 1.
  • het feit dat stelsel 2 minder sterk ingrijpt in de vrije marktwerking op de markten voor arbeid en voor producten, hetgeen de effectiviteit van de belastingen kan verhogen.
6

Bij stelsel 2 zal de werkgelegenheid in de informele sector minder worden, omdat wit betaald werk door de belastingkorting aantrekkelijker wordt dan zwart betaald werk / vrijwillig werk met behoud van uitkering.

print