Herexamen 2005 – Vastkoppelen om mee te doen

Indien een land wil toetreden tot de Economische en Monetaire Unie (EMU) worden eisen gesteld aan het economische en monetaire beleid. Zo mag bijvoorbeeld de inflatie in dat land niet veel hoger zijn dan de gemiddelde inflatie in de lidstaten van de EMU. Daarnaast wordt de wisselkoers van de munt van dat land gekoppeld aan de euro.

Voor de munteenheid van een dergelijk land, dat al lid is van de Europese Unie, geldt een spilkoers van € 0,40 en een toegestane bandbreedte van 15%. Indien de koers van deze munt in euro’s de bandbreedte overschrijdt, grijpt de centrale bank (CB) van dit land in door interventie op de valutamarkt.
Voor die valutamarkt gelden de volgende gegevens:

Qv = -100p + 68
Qa = 300p – 76
Qv = Qa
Qv = gevraagde hoeveelheid (munt van dat land; × miljard)
Qa = aangeboden hoeveelheid (munt van dat land; × miljard)
p = koers in euro’s van de munt van dat land

De evenwichtskoers bedraagt € 0,36. Omdat daarmee de toegestane bandbreedte wordt overschreden moet de CB interveniëren.
Een monetair analist doet hierover twee uitspraken.

  • uitspraak 1
    De koers die tot stand zal komen na interventie door de CB kan leiden tot een tekort op de betalingsbalans van dit land met de EMU.

  • uitspraak 2
    De interventie door de CB kan er voor zorgen dat via de geldmarkt de bestedingsinflatie in dit land wordt afgeremd.

1 Bereken het bedrag in euro’s dat de CB van dit land minimaal nodig heeft voor de interventie op de valutamarkt.

Maak een snelle schets van de situatie om te kijken hoe er ingegrepen moet worden.
Is bandbreedte de afwijking (+ en -)  ten opzichte van de wisselkoers of de totale marge waarbinnen de koers zich mag bevinden?!

2 Leg uitspraak 1 uit.

Bij een evenwichtskoers zijn vraag en aanbod op de valutamarkt aan elkaar gelijk. En daarmee ook ontvangsten en betalingen op de betalingsbalans.

3 Leg uit hoe de overheid van dit land via belastingpolitiek een bijdrage kan leveren aan het verkleinen van het tekort op de betalingsbalans met de EMU.

Belastingpolitiek heeft vooral invloed op het gezinsinkomen en dus op de consumptie.

4 Leg uitspraak 2 uit.

Algemene banken zijn de belangrijkste (tussen)partij op zowel de valutamarkt als de binnenlandse geldmarkt.
Begin ook vanuit de achterkant je denken: hoe kan de geldmarkt in het binnenland de inflatie afremmen?

1

de laagst toegestane koers is 0,925 × € 0,40 = € 0,37

vraagtekort naar deze munt: (300 × 0,37 – 76) – (−100 × 0,37 + 68) = 4 (miljard munteenheden)

interventiebedrag 4 miljard × € 0,37 = € 1,48 miljard

2

Een antwoord waaruit blijkt dat door de interventie de koers zal stijgen, omdat de evenwichtsprijs (€ 0,36) onder de onderste interventiekoers ligt, hetgeen de internationale concurrentiepositie van dit land binnen de EU zal verslechteren waardoor de export naar eurolanden zal afnemen / hetgeen de invoer uit de eurolanden goedkoper maakt hetgeen kan leiden tot meer import.

3

Voorbeelden van een juist antwoord zijn:

  • Lagere loonbelastingtarieven kunnen de loonkosten verlagen, hetgeen via een daling van de kosten per eenheid product kan leiden tot een verbetering van de concurrentiepositie en een toename van de export.
  • Hogere belastingtarieven kunnen de binnenlandse bestedingen afremmen, hetgeen ook kan betekenen dat er minder vraag naar importproducten komt waardoor de import afneemt/minder groeit.
4

Uit het antwoord moet blijken dat de CB de eigen munteenheid (in ruil voor euro’s) opkoopt bij de algemene banken in dit land, waardoor de liquiditeit van deze banken afneemt. Dat zal de kredietverlening afremmen (waardoor er minder gevaar voor bestedingsinflatie is).

print
2018-03-05T10:49:16+00:00