Examen 2016 – Chinese arbeidsmarkt op keerpunt

Examen 2016 – Chinese arbeidsmarkt op keerpunt

Econoom Michaels stelt in een rapport over de Chinese economie dat het bruto binnenlands product (bbp) in China tot het jaar 2011 sterk groeide door investeringen en export. Michaels meent dat de sterke groei van de export vooral mogelijk is geweest door twee factoren:

  • Het loonniveau in industriële gebieden was in de voorafgaande fase van de Chinese economische ontwikkeling internationaal gezien nog erg laag.
  • In agrarische gebieden bestond een zeer groot aanbod op de arbeidsmarkt. De sterke groei van de productie in de industriële gebieden werd mede mogelijk gemaakt door een omvangrijke toestroom van arbeidskrachten vanuit de agrarische gebieden.

Michaels gaat bij deze analyse uit van de figuren 1a en 1b, waarin de arbeidsmarkt is onderscheiden in de deelmarkten van industriële en van agrarische gebieden. De verticale assen hebben in beide deelfiguren dezelfde schaal. De verschuivingen die in de figuren zijn weergegeven, betreffen ontwikkelingen op de arbeidsmarkt in China gedurende de jaren van sterke economische groei.

Figuur 1a  arbeidsmarkt industriële gebieden

   

Figuur 1b  arbeidsmarkt agrarische gebieden

   
1 Verklaar de verschuiving van de vraaglijn op de arbeidsmarkt in industriële gebieden met behulp van de tekst.

De vraaglijn is naar links verschoven:
bij hetzelfde loon wordt nu meer arbeid gevraagd dan voorheen.

In de jaren tot 2011 kon de industriële productie in China toenemen zonder dat de lonen daarbij hoefden te stijgen.

2 Geef hiervoor een verklaring met behulp van de figuren.

Waarom zou op hetzelfde moment de aanbodlijn in figuur 1b op deze manier verschuiven?

Michaels constateert dat China in 2011 een keerpunt bereikte, met voor het eerst een merkbare stijging van de lonen in de industriële gebieden.

Volgens hem werd dit teweeggebracht doordat het loonverschil tussen beide deelmarkten inmiddels was opgeheven. De gemiddelde arbeidsproductiviteit in de industrie is ondertussen niet noemenswaardig gestegen. De loonstijging in de Chinese industrie kwam daarmee hoger uit dan in de industriële sectoren van de minder ontwikkelde landen in de Aziatische regio. Michaels meent dat de werkgelegenheid in de Chinese industriële sector hierdoor onder druk is komen te staan.

3 Verklaar deze mening van Michaels.

Loonkosten per eenheid product bepalen in belangrijke mate de prijs van eindproducten.
Zeker in landen waar vooral arbeidsintensieve industrie gevestigd is.

Michaels constateert dat ondanks het inzakken van de industriële export de lonen in China in daaropvolgende jaren toch bleven stijgen, een signaal dat de binnenlandse productie en de vraag naar arbeid op niveau bleef of zelfs nog groeide.

4 Verklaar dat in de periode na 2011 de binnenlandse productie kon toenemen, zelfs bij verminderde industriële export.

De productie wordt bepaald door de totale vraag.
EV = C + I + O + E – M

1

Voorbeelden van een juiste verklaring zijn:

  • De toename van de export vereiste een grotere arbeidsinzet in de industriële gebieden, waardoor de vraag naar arbeid toenam.
  • Chinese (export)bedrijven zijn meer gaan investeren in productiecapaciteit om aan de exportvraag te kunnen voldoen, waardoor de vraag naar arbeid toenam.
2

Een voorbeeld van een juiste verklaring is:

  • In de plattelandsgebieden blijft het loon (in de periode tot 2011) veel lager dan in de industriële gebieden.
  • Hierdoor hoeft in de industriële gebieden geen hoger loon te worden geboden (dan het aldaar reeds bestaande loon) om extra arbeid van plattelandsgebieden aan te trekken.
3

Een voorbeeld van een juiste verklaring is:

  • De loonkosten per product stegen in China meer dan in omringende landen.
  • Dit leidde tot afname van de werkgelegenheid in de industriële sector, doordat de concurrentiepositie van de industriële export van China afnam, met inkrimping van de productie als gevolg / doordat internationale bedrijven (een deel van) hun productie vanuit China verplaatsten naar de omliggende landen.
4

Voorbeelden van een juiste verklaring zijn:

  • De binnenlandse consumptie (van goederen én van diensten) nam toe en werd een nieuwe motor achter de groei van de productie (ondanks het terugvallen van de productie voor industriële export).
  • Toename van de bestedingen van de Chinese overheid (in infrastructuur en woningbouw).
print
2018-03-28T07:23:58+00:00