Examen 2013 – Pensioenen op peil en pijlers

Examen 2013 – Pensioenen op peil en pijlers

In een land ontvangen de inwoners die vanwege het bereiken van de pensioengerechtigde leeftijd zijn gestopt met betaald werk een pensioen.
Dit pensioen kan opgebouwd worden op basis van drie pijlers.

  • pijler 1 staatspensioen
    Een staatspensioen voor alle inwoners van 65 jaar en ouder. De maandelijkse uitkering is minimaal waardevast en vrijgesteld van belastingheffing. De lopende uitgaven voor het staatspensioen worden gefinancierd uit de lopende belastinginkomsten.

  • pijler 2 werkgeverspensioen
    Een werkgeverspensioen (particulier of overheid) voor werknemers die stoppen met betaalde arbeid. Dit pensioen wordt geregeld via pensioenfondsen die op het loon ingehouden premies ontvangen. Om daaruit in de toekomst de benodigde uitkeringen aan pensioenen te kunnen betalen, moet het opgebouwde vermogen met voldoende rendement worden belegd. De pensioenfondsen moeten met het op peil houden van hun vermogen rekening houden met de huidige waarde van de benodigde toekomstige verplichtingen, gegeven de geldende rentevoet.

  • pijler 3 particuliere besparingen
    Particuliere besparingen die bedoeld zijn voor aanvulling van het inkomen na het bereiken van de pensioenleeftijd. Deze besparingen zijn vrijwillig. Maatgevend voor de opbrengst van deze besparingen is de rentevoet.

In onderstaande figuur zijn deze drie pijlers schematisch weergegeven.

Formule:

1 Welke van de drie pijlers van het pensioenstelsel in dit land is gebaseerd op het omslagstelsel? Verklaar het antwoord.

Bij het omslagstelsel betalen de werkenden van dat jaar voor de uitkeringen in dat jaar.
Mensen betalen dus de uitkering van een ander.

2 Leg het negatieve verband uit tussen de omvang van het staatspensioen in pijler 1 en de omvang van het particuliere spaartegoed in pijler 3.

Een negatief verband = wanneer de stijging van X leidt tot een daling van Y (of andersom).
In dit geval dus: als de omvang van het staatspensioen omhoog gaat, gaan de particuliere spaartegoeden dalen (of andersom).

De pensioenfondsen in dit land hebben een probleem: de dekkingsgraad voor de pensioenen in pijler 2 is onder de 100% gezakt. Dit is een gevolg van de toegenomen levensverwachting van de pensioengerechtigden, de vergrijzing van de bevolking in het land en de daling van de rentevoet.
Een directeur van het grootste pensioenfonds van het land stelt: “De intergenerationele solidariteit komt steeds zwaarder onder druk te staan door die dalende dekkingsgraad.”
Een econoom is het niet geheel eens met zijn stelling: “Die dalende rentevoet heeft ook via de reële economie een positief effect op die dekkingsgraad, maar om dat uit te leggen mis ik een pijl in bovenstaand schema.”

3 Leg het verband uit tussen de rentevoet en de huidige waarde van de toekomstige verplichtingen werkgeverspensioen.

De “huidige waarde van toekomstige verplichtingen” wordt mede bepaald door hoeveel het huidige bedrag naar de toekomst nog kan groeien door rendement op beleggingen.

4 Leg uit op welke manier de dalende dekkingsgraad kan leiden tot een zwaardere druk op de intergenerationele solidariteit.

Een dalende dekkingsgraad geeft aan dat er mogelijk te weinig geld in de pensioenpot zit.

5

Welk positief effect op de dekkingsgraad bedoelt de econoom?

  • Geef aan welke pijl daarvoor toegevoegd moet worden aan bovenstaand schema
  • en leg het door de econoom bedoelde positieve effect uit.

Een positief effect op de reële economie; daarmee wordt bedoeld dat het gunstig is voor de omvang van de productie.
Deze gunstige ontwikkeling heeft gevolgen voor het rendement van beleggingen.

1

pijler 1 (staatspensioen)
Uit de verklaring moet blijken dat de huidige uitkeringen van het staatspensioen worden gefinancierd met huidige inkomsten.

2

Een antwoord waaruit blijkt dat als de omvang van het staatspensioen (per inwoner) stijgt / daalt, de inwoners zich minder / meer genoodzaakt zien om via vrijwillige besparingen het toekomstige pensioeninkomen aan te vullen.

3

Een antwoord waaruit blijkt dat indien de bepaling van de huidige waarde van de toekomstige betalingsverplichtingen wordt gebaseerd op een lagere / hogere rente, deze waarde hoger / lager zal uitvallen (en daarmee de dekkingsgraad lager / hoger zal komen te liggen).

4

Een antwoord waaruit blijkt dat een dalende dekkingsgraad betekent dat er niet voldoende middelen zijn om de pensioenuitkeringen aan de oudere generaties op peil te houden, zodat een groter beroep op premiebetaling door jongere generaties nodig is.

5

Een voorbeeld van een juist antwoord:

  • een pijl van bruto binnenlands product (bbp) naar huidig vermogen (1 pnt)
  • uit de uitleg moet blijken dat de econoom doelt op het positieve effect dat een rentedaling kan hebben op de omvang van het bbp (economische groei), hetgeen kan leiden tot stijgende winsten en daardoor stijgende koersen van de activa waarin de fondsen belegd hebben (2 pnt)
print
2018-01-02T14:36:06+00:00