Examen 2012 – Vliegt de Fed de juiste koers?

In 2008 belandde de economie van de Verenigde Staten van Amerika (VS) in een ernstige recessie. De centrale bank van de VS (Fed) was bang dat die recessie tot deflatie zou leiden. De Fed was van mening dat deflatie het herstel van de Amerikaanse economie ernstig zou vertragen en besloot daarom de hoeveelheid liquiditeiten van de banken1) met 600 miljard dollar te vergroten.

1) De hoeveelheid liquiditeiten is het kasgeld van de banken die dat geld gebruiken als dekking voor hun kredieten aan particulieren.

Een econoom verdedigde dit beleid in een interview: “Deflatie moet hoe dan ook vermeden worden, al moet de Fed daarvoor met een helikopter boven het land vliegen en dollars uitstrooien.” De econoom plaatste wel de hierna volgende kanttekeningen bij het beleid. Hij baseerde zich daarbij onder andere op de onderstaande grafieken die betrekking hebben op de VS.

Grafiek 1
groei consumentenkrediet (in % t.o.v. voorafgaand jaar)

fed2012_1b

Grafiek 2
schuldratio (schuld consumenten in % besteedbaar inkomen)

fed2012_2b

Grafiek 3
spaarratio (besparingen consumenten in % besteedbaar inkomen)

fed2012_3

De kanttekeningen van de econoom:

  • Het is twijfelachtig of de recessie op korte termijn zal leiden tot deflatie. Er moet namelijk rekening worden gehouden met de neerwaartse starheid van de nominale lonen.

  • Het effect van de vergroting van de hoeveelheid liquiditeiten van de banken op de conjunctuur moet niet worden overschat; het officiële rentetarief − de ondergrens voor de marktrente − bedraagt op dit moment immers maar 1%.

  • Amerikaanse consumenten hebben zich tot 2008 op basis van positieve verwachtingen over de economie, diep in de schulden gestoken. In de huidige recessie kan dit de effectiviteit van de vergroting van de hoeveelheid liquiditeiten van de banken beperken.

  • De Fed verkiest blijkbaar de dreiging van inflatie bij een herstel van de economie op wat langere termijn, boven de dreiging van deflatie op korte termijn. Om die inflatiedreiging het hoofd te bieden, is een blijvende productiviteitsgroei noodzakelijk.

1 Geef een verklaring voor de opvatting van de Fed dat deflatie herstel van de Amerikaanse economie kan vertragen.

Deflatie betekent dat de prijzen (gemiddeld) dalen.
Wat zou jij in zo’n geval doen als je grotere aankopen (zoals een TV of een auto) overweegt?

2 Geef een verklaring voor het verband tussen de neerwaartse starheid van de nominale lonen en het uitblijven van deflatie.

Neerwaartse loonstarheid betekent dat lonen niet/nauwelijks willen dalen, ondanks de recessie en de lagere vraag naar arbeid.
Vergeet niet in je antwoord uit te leggen waarom je wél deflatie zou verwachten!

3 Leg uit waarom de vergroting van de hoeveelheid liquiditeiten van de banken bij een laag officieel rentetarief een beperkt effect op de conjunctuur zal hebben.

Door de lagere rentetarieven zouden bedrijven meer moeten gaan lenen om nieuwe investeringen te doen en consumenten zouden meer moeten gaan lenen voor extra consumptieve uitgaven.
Waarom zullen bedrijven en consumenten in slechte economische tijden dit (blijkbaar) niet doen?

4 Geef op basis van de grafieken een verklaring voor het beperkte effect op de conjunctuur van de vergroting van de hoeveelheid liquiditeiten van de banken.

Wat zijn consumenten volgens grafiek 2 en 3 vooral gaan doen sinds de recessie?
Is extra lenen bij banken dankzij een gunstige rente dan logisch gezien dit gedrag?

5

Geef een verklaring voor de stelling van de econoom dat: 

  • de grotere hoeveelheid liquiditeiten van de banken tot inflatie kan leiden bij herstel van de economie en dat
  • productiviteitsgroei noodzakelijk is om die inflatie te vermijden.

Bij herstel kan bestedingsinflatie ontstaan.
Er is sprake van bestedingsinflatie wanneer de bestedingen de productiecapaciteit overtreffen.

1

Een antwoord waaruit blijkt dat bij deflatie, in afwachting van nog lagere prijzen, bestedingen kunnen worden uitgesteld waardoor de productie (verder) onder druk komt te staan terwijl die eigenlijk (meer) zou moeten groeien.

2

Een antwoord waaruit blijkt dat wanneer de nominale lonen niet dalen de bedrijven niet goedkoper kunnen produceren, waardoor het aanbod niet groter zal worden zodat de prijzen niet zullen dalen.

3

Een antwoord waaruit blijkt dat de banken weliswaar meer geld hebben om uit te lenen, maar dat de marktrente al zo laag is dat de banken het lenen van geld via renteverlaging slechts beperkt kunnen stimuleren, zodat de bestedingen nauwelijks zullen toenemen.

4

Een antwoord waaruit blijkt dat de consumenten bij het begin van de recessie begonnen zijn met het verminderen van hun schuld (grafiek 1 en grafiek 2) en het vergroten van hun besparingen (grafiek 3) (hetgeen hun bestedingen onder druk zet), zodat ze weinig geld van de banken zullen willen lenen.

5

Een antwoord waaruit blijkt dat:

  • de grote hoeveelheid liquiditeiten van de banken bij herstel van de economie tot zo’n grote groei van de kredietverlening en bestedingen kan leiden dat de productiecapaciteit tekortschiet (zodat inflatie ontstaat) (2 pnt)
  • en dat productiviteitsgroei zorgt voor een zodanige groei van de productiecapaciteit dat de productie met de bestedingen in de pas kan blijven lopen (1 pnt)
print
2018-03-05T11:04:33+00:00