Examen 2010 – Levensloop

In een vwo-klas is gediscussieerd over het onderwerp financiële levensloop en de verschijnselen ‘ruilen over de tijd’ en ‘menselijk kapitaal’. Diana vond dat zo interessant dat ze geprobeerd heeft haar eigen verwachte financiële levensloop schematisch in beeld te brengen (zie grafiek).

2010 levensloop

Voor het tekenen van de grafiek heeft Diana veel veronderstellingen moeten maken. Enkele daarvan staan hieronder:

  • ze gaat na haar vwo-opleiding op haar 18de werken en blijft dat doen tot aan haar pensioen;
  • bovenop de AOW ontvangt zij bedrijfspensioen van haar voormalige werkgever(s);
  • omdat de grafiek ergens moet eindigen, neemt ze aan dat ze 85 jaar wordt;
  • het gaat om haar netto-inkomsten per jaar (na afdracht pensioen- en AOWpremie) en de uitgaven die daarvan betaald moeten worden.

 

Diana is bij het tekenen van de grafiek de nodige problemen tegengekomen. Zo heeft ze zich bijvoorbeeld afgevraagd of ze − om tot een beter beeld te komen − ook voorraadgrootheden zou moeten opnemen. En of ze uit zou moeten gaan van een waardevast of misschien zelfs wel van een welvaartsvast pensioen.

Daarbij rees dan weer de vraag van welke inflatie en inkomensontwikkeling ze zou moeten uitgaan.

1 Leg uit hoe in de grafiek het verschijnsel ‘ruilen over de tijd’ tot uitdrukking komt.
 

‘Ruilen over de tijd’ is het schuiven met inkomen / koopkracht.
Hoe zie je in de grafiek dit schuiven van inkomen?

Diana heeft in de grafiek uitsluitend stroomgrootheden opgenomen.

2 Welke voorraadgrootheid had zij op basis van de gegevens in de grafiek kunnen opnemen? Verklaar het antwoord.
 

Een voorraadgrootheid is een gegeven waarvan je de omvang op een bepaald tijdstip meet.

Stel dat Diana zou zijn uitgegaan van een jaarlijkse inflatie van 1,75% gedurende de gehele levensloop en een gemiddelde landelijke inkomensstijging van 2,25% per jaar.

3 Bereken of haar bedrijfspensioen dan waardevast genoemd kan worden.
 

Waardevast wil zeggen dat de koopkracht van het inkomen gelijk blijft.
Het nominale bedrag moet daarvoor met hetzelfde percentage stijgen als de inflatie.

4 Leg uit waarom het in het kader van de gehele levensloop van belang is of een pensioen waardevast of welvaartsvast is.
 

Een uitleg ‘voor de gehele levensloop’ wil zeggen dat je de gevolgen van de keuze voor zowel de werkzame periode als de pensioenperiode beschrijft.

Waardevast wil zeggen dat de koopkracht van het inkomen gelijk blijft.
Welvaartsvast wil zeggen dat de koopkracht meegroeit met de gemiddelde lonen.

Diana overweegt vervolgens niet direct vanaf haar 18de te gaan werken maar na haar vwo-opleiding eerst een studie bedrijfskunde te gaan volgen. Die studie duurt een jaar of vijf en ze verwacht die zeker met succes af te ronden.

Diana vraagt zich af hoe de gevolgen van die beslissing in de grafiek tot uitdrukking moeten worden gebracht.

5 Beschrijf vier wijzigingen die Diana in de grafiek zou kunnen aanbrengen, twee wijzigingen vóór het bereiken van de pensioenleeftijd en twee wijzigingen daarna. Betrek daarbij in beide gevallen zowel de inkomsten als de uitgaven.
De wijzigingen moeten passen in de gegeven context. Gebruik ongeveer 75 woorden.
 

Waarom kiest iemand ervoor te studeren i.p.v. te werken?
Welke gevolgen heeft dat voor de hoogte van de getekende lijnen?

1

Voorbeelden van een juist antwoord zijn:

  • Een antwoord waaruit blijkt dat er in haar actieve periode soms meer inkomsten dan uitgaven zijn zodat Diana dan kan sparen voor tijden dat het omgekeerde het geval is.
  • Een antwoord waaruit blijkt dat Diana tijdens haar actieve periode pensioenpremies betaalt waardoor na haar pensionering haar pensioenuitkeringen betaald kunnen worden.
2

Een voorbeeld van een juist antwoord is ‘vermogen’.
Een verklaring waaruit blijkt dat er vermogen wordt gevormd als Diana meer inkomsten dan uitgaven heeft / op vermogen wordt ingeteerd als Diana meer uitgaven dan inkomsten heeft.

Opmerking:
Een verwijzing naar pensioenen wordt hier niet goed gerekend aangezien het daarvoor gevormde vermogen niet uit de gegevens is af te leiden.

3

Een voorbeeld van een juiste berekening is:

Bij een waardevast pensioen had het bedrijfspensioen moeten groeien van € 15.000 tot minimaal € 15.000 × 1,017520 = € 21.222
en het is maar gegroeid tot € 38.000 − € 18.000 = € 20.000.

Opmerking: Als het percentage 2,25 is gebruikt, 1 punt in mindering.

4

Een antwoord waaruit blijkt dat een welvaartsvast pensioen hogere uitkeringen kent dan een waardevast pensioen zodat voor een welvaartsvast pensioen tijdens de actieve periode hogere premies betaald moeten worden / meer vermogen gevormd moet worden dan voor een waardevast pensioen.

5

Een antwoord waaruit blijkt dat:

  • vóór het bereiken van de pensioenleeftijd
    Diana rond haar twintigste met hogere uitgaven voor studie te maken krijgt en dat daarna haar inkomsten hoger zullen zijn omdat ze betere banen kan krijgen
  • na het bereiken van de pensioenleeftijd
    Diana door haar hogere inkomen na de studie een hoger bedrijfspensioen kan opbouwen waardoor ook haar uitgaven na pensionering hoger kunnen zijn

Opmerking:
Let er op dat het antwoord in elke fase een mix van inkomsten en uitgaven is, dus niet dat haar inkomsten rond haar twintigste dalen en later in dezelfde periode zullen stijgen.

print

2017-10-03T10:14:49+00:00