Examen 2010 havo – Duitse minimalisten?

Nederland kent vanaf 1974 een wettelijk minimumloon. Alle werknemers van 15 tot 65 jaar die betaalde arbeid verrichten, hebben recht op een bepaald minimumloon per gewerkt uur. Dit minimumloon vormt de basis voor loonafspraken in de collectieve arbeidsovereenkomsten (cao) die in Nederland worden afgesloten. In Duitsland is er géén algemene wettelijke minimumloonregeling. Een mogelijke invoering van zo’n wettelijk minimumloon is bij onze oosterburen een politiek en maatschappelijk gevoelig thema.

Bron 17 – modelmatige weergave van de arbeidsmarkt in Duitsland

  • Alle werkenden en werkzoekenden samen zijn het aanbod van arbeid. Zij worden in dit model kortweg ‘werknemers’ genoemd.
  • De vraag naar arbeid komt van de groep ‘werkgevers’. In dit model wordt de vraag naar arbeid gelijkgesteld aan de werkgelegenheid in Duitsland.

Bron 18 – werkgeverssurplus, werknemerssurplus en de gevolgen van de invoering van een minimumloon

Legenda:
A = 122,5
B = 35
C = 35
D = 122,5
E = 2,5
F = 2,5
(× miljoen euro’s)
1 Leg uit dat het afsluiten van cao’s kan leiden tot meeliftgedrag van werknemers.

Meeliftersgedrag wil zeggen dat iemand (gratis) kan profiteren van iets waarvoor een ander betaald heeft.

2 Noem twee kenmerken van de marktvorm volkomen concurrentie en licht toe waarom een arbeidsmarkt van een land niet aan deze kenmerken voldoet.

Kenmerken van volkomen concurrentie:

  • veel vragers en veel aanbieders
  • een homogeen product
  • een transparante markt
  • vrije toe- en uittreding
3 Laat met een berekening zien hoeveel werkgelegenheid er in Duitsland zou verdwijnen door invoering van een minimumloon van 10 euro per uur.

Werkgelegenheid ontstaat doordat bedrijven Arbeid vragen.
Hoe hoger het loon, hoe minder arbeid er gevraagd wordt.
Bekijk in de grafiek hoeveel arbeid er gevraagd wordt.

  • Jasper
    “Het werkgeverssurplus zal toenemen met 35 miljoen (B) en het werknemerssurplus neemt af met 37,5 miljoen (B + E), dus de welvaart zal dalen met 2,5 miljoen.”

  • Yamina
    “Het werkgeverssurplus zal afnemen met 37,5 miljoen (B + E) en het werknemerssurplus neemt toe met 32,5 miljoen (B − F), dus de welvaart zal dalen met 5 miljoen.”

  • Pieter
    “Het werkgeverssurplus zal afnemen met 35 miljoen (B) en het werknemerssurplus neemt toe met 37,5 miljoen (B + E), dus de welvaart zal dalen met 2,5 miljoen.”

Gebruik bron 18.

4 Welk van deze drie leerlingantwoorden is de juiste? Verklaar het antwoord.

Arceer met verschillende kleuren het werkgeverssurplus (=consumentensurplus) en het werknemerssurplus (=producentensurplus) bij het evenwichtsloon én in geval van het minimumloon. 
Kijk daarna wat er veranderd is.

1

Uit het antwoord moet blijken dat bij afgesloten cao’s ook werknemers die géén lid zijn van een werknemersvertegenwoordiging (vakbond) recht hebben op de overeengekomen arbeidsvoorwaarden.
Zij profiteren dus gratis van de voordelen van het resultaat van de vakbond (waar anderen wél voor betalen).

2

Voorbeelden van een juist antwoord zijn:

  • vrije prijsvorming:
    Loonvorming op de arbeidsmarkt wordt vaak gereguleerd door overheid (bijvoorbeeld minimumloon) en werkgevers- en werknemers organisaties (loonafspraken).
  • homogeen ‘product’:
    Arbeid is niet homogeen, want er zijn verschillen in scholing, ervaring, vaardigheid e.d.
  • vrije toetreding:
    Arbeidskrachten kunnen niet vrij toe- en uittreden, omdat ze gebonden zijn aan de woonplaats of kwalificaties en/of werkvergunningen nodig hebben om toe te treden.
  • transparantie:
    Niemand beschikt over volledige informatie over wie, wat, waar en wanneer vraagt en aanbiedt op de arbeidsmarkt.
3

Werkgelegenheid is de vraag naar arbeid.
De vraag naar arbeid in de evenwichtssituatie bedraagt 40 miljoen personen.
Bij het minimumloon is de vraag gedaald tot 35 miljoen personen.

De werkgelegenheid neemt door het minimumloon met 5 miljoen personen af.

4

 Yamina.

  • Een antwoord waaruit blijkt dat in de evenwichtssituatie het totaal van werkgevers- en werknemerssurplus bestaat uit alle delen
    A + B + C + D + E + F
    en dat na invoering van het minimumloon de delen E + F afvallen.
    Dat is een totaal welvaartsverlies van 2,5 + 2,5 = 5 miljoen.
  • Een antwoord waaruit blijkt dat in de evenwichtssituatie het totaal van werkgevers- en werknemerssurplus 320 miljoen bedraagt
    (A + B + C + D + E + F)
    en na invoering van het minimumloon slechts 315 miljoen (A + B + C + D),
    hetgeen een welvaartsverlies betekent van 320 − 315 = 5 miljoen.
print
2017-12-22T12:58:21+00:00