Examen 2010 – Griekse tragedie

Examen 2010 – Griekse tragedie

De overheidsbegrotingen van de lidstaten van de Economische en Monetaire Unie (EMU) staan onder Europees toezicht. 
Voor het financieringstekort en de staatsschuld gelden in het verdrag van Maastricht vastgelegde normen. Het financieringstekort mag niet hoger worden dan 3% van het bruto binnenlands product (bbp) terwijl voor de staatsschuldquote een maximale hoogte van 60% geldt. De onderliggende grootheden worden voor alle lidstaten op dezelfde manier vastgesteld. Als de groei van het bbp lager uitvalt dan verwacht werd bij het opstellen van de overheidsbegroting, kan het noodzakelijk worden te bezuinigen om te kunnen voldoen aan de normen. Een streng toezicht op het handhaven van de normen kan ongewenste gevolgen hebben. Om bezuinigingen te vermijden stellen sommige lidstaten hun cijfers gunstiger voor dan ze in werkelijkheid zijn.

Ook zijn er lidstaten die maatregelen nemen die op korte termijn het overheidsinkomen vergroten, maar hiervoor op langere termijn schadelijk kunnen zijn.

1 Geef een voorbeeld van zo’n overheidsmaatregel. Licht het antwoord toe. 

Denk bijvoorbeeld aan het verhogen van de belastingen en de gevolgen die dat heeft voor de langere termijn.

Voor één van de deelnemende landen gelden de volgende gegevens. 

  2004 2005 2006
financieringstekort (in % van het bbp) 3 3 3
staatsschuld (per 31-12, in % van het bbp) 55
index bbp 100 104 108,16
2 Toon met een berekening aan dat dit land in 2006 nog aan de norm voor de staatsschuldquote voldoet.

Doe net alsof het Nationaal inkomen in 2004 € 100 bedroeg.
De staatsschuld (gemeten aan het eind van elk jaar) stijgt elk jaar met het financieringstekort van dat jaar.

3 Geef een andere reden, dan het voldoen aan de EMU-normen, voor het bezuinigen op de overheidsuitgaven in een periode waarin de groei van het bbp lager uitvalt dan verwacht tijdens het opstellen van de overheidsbegroting.

Als de overheid niet bezuinigt, moet zij meer lenen, waarmee zij extra vraag uitoefent op de vermogensmarkt.

Griekenland wordt vaak aangehaald als voorbeeld van een lidstaat die de cijfers gunstiger voorstelt dan ze in werkelijkheid zijn.
In de periode 1998-2005 was in Griekenland sprake van een jaarlijkse nominale groei van het bbp van 6%. Om bezuinigingen te vermijden rapporteerde Griekenland aan de EMU een financieringstekort dat beneden de 3% bleef. De volgende figuur laat de verwachte en de werkelijke staatsschuldquote zien.

Bron – staatsschuldquote Griekenland

4 Leg uit hoe de Griekse rapportage aan de EMU kan hebben geleid tot het verschil in ontwikkeling tussen de beide staatsschuldquoten in de figuur.

Griekenland loog dus over de omvang van het financieringstekort (en niet over de omvang van de economische groei). 
Het financieringstekort is het bedrag waarmee de staatsschuld stijgt.

Formule staatsschuldquote

1

Voorbeelden van een juist antwoord zijn:

  • Verkoop van (winstgevende) staatsbedrijven / deelnemingen. Dit levert op korte termijn een extra inkomstenpost op, maar op langere termijn valt voor de overheid het aandeel in de winst als inkomensbron weg.
  • Verhoging van de (loon)belasting. Dit levert op korte termijn extra inkomen op, maar op langere termijn kan de participatiegraad hierdoor dalen waardoor het draagvlak voor de collectieve lasten kleiner wordt.
2

financieringstekort

  • in 2004: 0,03 × 100 = 3
  • in 2005: 0,03 × 104 = 3,12
  • in 2006: 0,03 × 108,16 = 3,245

staatsschuld (neemt toe met financieringstekort)

  • in 2004: 0,55 × 100 = 55
  • in 2005: 55 + 3,12 = 58,12
  • in 2006: 58,12 + 3,245 = 61,365

Staatsschuldquote in 2006:

ssq2010_2 (minder dan 60% – het land voldoet aan de eisen)

3

Voorbeelden van een juist antwoord zijn:

  • Het voorkómen van het verdringen van (bedrijfs)investeringen door een groter beroep van de overheid op de kapitaalmarkt als gevolg van het (grotere) overheidstekort dat bij het uitblijven van bezuinigingen zou ontstaan.
  • Het voorkómen van een inflatoire ontwikkeling als gevolg van de monetaire financiering van het (grotere) overheidstekort dat bij het uitblijven van bezuinigingen zou ontstaan.
    NB – dit tweede antwoord is eigenlijk minder goed, omdat de kans op inflatie door extra geld in een periode van onderbesteding vrij klein is.
4

De toezichthouder verwacht een sterke daling van de staatsschuldquote omdat het (procentuele) financieringstekort in verhouding tot de (procentuele) groei van het bbp klein is. 
Het werkelijke financieringstekort ligt echter hoger dan het gerapporteerde, zodat de staatsschuldquote in realiteit veel minder sterk daalde.

print
2018-01-03T16:38:59+00:00