Examen 2009 havo – Geldstromen in Europa

Examen 2009 havo – Geldstromen in Europa

Europese landen die in aanmerking willen komen voor lidmaatschap van de Europese Unie (EU) moeten aan verschillende voorwaarden voldoen. Met een aantal Oost-Europese landen heeft de EU recentelijk gesprekken gevoerd over toetreding. Deelname aan de EU is populair onder Oost-Europese landen omdat het lidmaatschap goede voorwaarden lijkt te scheppen voor economische groei.
Bij het bestuderen van de economie van een land maken economen gebruik van modellen. De kringloopschema’s in de bronnen 19 en 20 vormen een modelmatige weergave van de economie van een Oost-Europees land dat onlangs is toegetreden tot de EU.

De sectoren in dit schema worden met elkaar verbonden door ingaande en uitgaande geldstromen. Bij geldstromen waar geen bedrag staat aangegeven kan dit met behulp van de andere gegevens bepaald worden. De cijfers geven bedragen in miljarden euro’s weer.
Export, import en lopende rekening hebben in dit model uitsluitend betrekking op goederen en diensten.

bron 19 kringloopschema van een Oost-Europees land vóór toetreding tot de EU

 

bron 20 kringloopschema van een Oost-Europees land na toetreding tot de EU

1 Noem de twee geldstromen waaruit blijkt dat de overheid in dit land gebruik maakt van productiefactoren.

Welke verzamelterm (welk begrip) hoort bij de omschrijving ‘vergoeding voor het gebruik maken van productiefactoren’?
De productiefactoren zijn: arbeid, natuur, kapitaal en ondernemerschap.

2 Laat met een berekening zien dat het nationaal inkomen in dit land is gestegen na toetreding tot de EU.

Het nationaal inkomen kun je in dit geval uitrekenen op twee manieren:

  • via de subjectieve methode
  • via de bestedingen methode
3 Leg uit waarom de richting van de pijl ‘saldo lopende rekening’ na toetreding tot de EU is omgedraaid.

Hoe bereken je het ‘saldo lopende rekening’?
Let op: de vraag is ook gericht op een stukje UITLEG! – dus de betekenis van de genoemde pijl.

Een kritische Oost-Europese econoom is van mening dat deelname aan de EU niet alleen maar economische voorspoed brengt. Hij waarschuwt voor een forse arbeidsmigratie die er op gang zal komen als de inwoners van dit land merken hoeveel meer ze kunnen verdienen door te werken in één van de rijkere EU-lidstaten. Deze arbeidsmigratie kan, volgens de econoom, wel eens nadelig zijn voor de economische groei op langere termijn.

4 Beschrijf een pijl tussen twee sectoren die zou kunnen worden toegevoegd om de gevolgen van de verwachte arbeidsmigratie te verwerken in het kringloopschema na toetreding tot de EU.
Vermeld beginpunt, eindpunt en naam van deze pijl.

Elke pijl is een GELDSTROOM!
Welke extra geldstoom ontstaat er tussen twee sectoren door de arbeidsmigratie?

5 Leg uit waarom deze arbeidsmigratie nadelig kan zijn voor de economische groei op langere termijn in dit land.

Let op lange termijn:
je antwoord moet dus betrekking hebben op de structurele kant (aanbodzijde) van de economie. Denk daarbij bijvoorbeeld aan productiecapaciteit of concurrentiepositie.

1

Voorbeeld van een juist antwoord:

  • primaire inkomens naar gezinnen
  • bestedingen bij bedrijven
2

Voorbeelden van een juiste berekening zijn:

  • Via de subjectieve methode:
    Het netto nationaal inkomen is gelijk aan het totaal van de primaire inkomens en dat is gestegen
    van 25 + 6 = 31
    naar 31 + 6 = 37 (miljard euro).
  • Via de bestedingen methode:
    Het netto nationaal inkomen is gelijk aan het totaal van de productie (C+I+O+E-M) en dat is gestegen:
    van 15 + 6 + [5 + 6] + 15 − 16 = 31
    naar 16 + 8 + [5 + 6] + 20 − 18 = 37 (miljard euro)
3

Uit het antwoord moet blijken dat er vóór de toetreding tot de EU nog sprake was van een tekort op de lopende rekening (import groter dan export), hetgeen na de toetreding is omgeslagen in een overschot op de lopende rekening (export groter dan import).

In de uitleg moet blijken dat een tekort op de lopende rekening betekent dat het land geld tekort komt om het buitenland te betalen – er zal dus geld geleend moeten worden in het buitenland. De geldstroom staat dan dus van buitenland náár banken.

4 Uit het antwoord moet blijken dat:

  • er in dat geval ook een pijl zou moeten zijn van buitenland (beginpunt) naar gezinnen (eindpunt),
  • die weergeeft dat er ook primaire inkomens worden verkregen uit werken in het buitenland.
5

Een antwoord waaruit blijkt dat door de arbeidsmigratie veel geschoolde werknemers en kennis het land verlaten, hetgeen op langere termijn nadelig kan zijn voor de kwaliteit en kwantiteit van de productiefactor arbeid in dit land (als er geen sprake is van remigratie van deze mensen).

print
2018-02-09T10:18:58+00:00