Examen 2004 – Keynesiaanse shocktherapie

Examen 2004 – Keynesiaanse shocktherapie

Na een periode van economische groei kan in een economie een neergang optreden. Zo’n neergang is soms het gevolg van een externe schok.
In zo’n situatie kan de overheid ingrijpen en proberen de economie weer in goede banen te leiden.
Aan de hand van onderstaand kortetermijnmodel kunnen de gevolgen van deze externe schok en het effect van overheidsbeleid worden geanalyseerd:

C = c(Y – B) + Co
I = Io
O = Oo
B = bY
E = Eo
M = mY
EV = C + I + O + E – M
Y = EV

Alle bedragen luiden in miljarden euro’s

C (Co) = (autonome) particuliere consumptie
I (Io) = (autonome) particuliere investeringen
O (Oo) = (autonome) overheidsbestedingen
B = belastingontvangsten
E (Eo) = (autonome) export lopende rekening
M = import lopende rekening
EV = effectieve vraag
Y = nationaal inkomen
b = marginale belastingquote
c = marginale consumptiequote
m = marginale importquote

In onderstaande tabel staan voor de exogene en endogene grootheden van het model de waarden in drie situaties:

  • de oorspronkelijke situatie, vóór de externe schok;
  • variant 1, de veranderde situatie na de schok zonder ingrijpen van de overheid;
  • variant 2, de veranderde situatie na de schok met ingrijpen van de overheid.
  oorspronkelijk variant 1 variant 2
C 300 ….. …..
c 0,8 0,75 0,75
Co 20 20 20
b 0,3 0,3 0,3
Io 35 30 33
Oo 150 150 170
Eo 220 200 200
M 205 ….. …..
m 0,41 0,41 0,41
Y 500 ….. …..

Overige gegevens:

  • De inkomensmultiplier van de autonome bestedingen bedraagt oorspronkelijk 1,18 (afgerond).
  • In variant 1 en variant 2 bedraagt deze multiplier 1,13 (afgerond).
  • In de oorspronkelijke situatie zijn de belastingontvangsten even hoog als de overheidsbestedingen.
  • In variant 1 en variant 2 is er sprake van een overheidstekort.
1

Geef een verklaring voor de lagere marginale consumptiequote én een verklaring voor de lagere autonome particuliere investeringen bij variant 1 in vergelijking met de oorspronkelijke situatie.

2

Geef een economische verklaring voor de lagere waarde van de inkomensmultiplier in variant 1 in vergelijking met de oorspronkelijke situatie.

3

Toon aan dat in variant 1 het evenwichtsinkomen 452 is.

Over variant 2 zegt de minister van Financiën: “Ingrijpen door de overheid prima, maar dan wel met een zodanige verhoging van de overheidsbestedingen dat het overheidstekort niet groter wordt dan 20 miljard euro.”

4

Is de verhoging van de autonome overheidsbestedingen, zoals die uit de tabel is af te leiden voor variant 2, aanvaardbaar voor deze minister? Verklaar het antwoord met een berekening.

In een commentaar op dit overzicht van drie situaties wordt gesteld dat het ingrijpen van de overheid op langere termijn ook remmend kan werken op verder herstel van de economie na de externe schok.

5

Geef voor deze stelling een argument.

1

Voorbeelden van juiste verklaringen zijn:

  • Een verklaring waaruit blijkt dat een groter deel van het extra inkomen gebruikt zal worden om te sparen (vanwege de toegenomen onzekerheid), zodat de marginale consumptiequote kleiner wordt.
  • Een verklaring waaruit blijkt dat de investeringen zullen teruglopen omdat de winstvooruitzichten minder worden (vanwege de verslechterende economische situatie)
2

Uit de verklaring moet blijken dat in variant 1 de marginale consumptiequote lager is, waardoor een zelfde toevoeging aan het inkomen zal leiden tot een kleinere toevoeging aan de bestedingen, zodat de hierop volgende toevoeging aan het inkomen ook kleiner zal zijn.

3

Y = 0,75 × 0,7Y + 400 – 0,41Y
0,885Y = 400
Y = 452 (afgerond op miljarden euro’s)

4

nee (niet aanvaardbaar)

Voorbeelden van een juiste berekening zijn:

  • Een berekening waaruit blijkt dat:
    Y = 0,75 × 0,7Y + 20 + 33 + 170 + 200 – 0,41Y
    Y – 0,115Y = 423
    0,885Y = 423
    Y = 478 (afgerond),
    hetgeen betekent dat (O – B) = 170 – 0,3 × 478 = 26,6
  • Een berekening waaruit blijkt dat in vergelijking met variant 1 het evenwichtsinkomen stijgt met 1,13 × (20 + 3) = 26 (afgerond)
    ⇒ 452 + 26 = 478,
    hetgeen betekent dat (O – B) = 170 – 0,3 × 478 = 26,6
5

Voorbeelden van een juist argument zijn:

  • Een argument waaruit blijkt dat het (grotere) tekort van de overheid op termijn kan leiden tot belastingverhoging, hetgeen kan leiden tot aantasting van de particuliere bestedingen.
  • Een argument waaruit blijkt dat het (grotere) tekort van de overheid kan leiden tot een grotere vraag op de kapitaalmarkt, hetgeen de (lange) rente kan opdrijven en daarmee de particuliere investeringen kan verminderen/verdringen.
print
2018-01-13T17:59:08+00:00