Opgave 11 – Arceren

Vraag 1

a

Arceer in dit marktmodel de totale opbrengst van de gezamenlijke producenten.

b

Arceer in dit marktmodel het totale consumentensurplus.

a

De prijs is voor elke product hetzelfde. Er zal dus een rechthoek ontstaan.

Oppervlakte = lengte × breedte 
TO                 =      P     ×      Q

b

Consumenten hebben een verschillende betalingsbereidheid. Het surplus is per consument dus verschillend. Er ontstaat een driehoek.

Vraag 2

a

Arceer in deze grafiek de maximale totale winst die deze monopolist kan behalen.

b

Arceer in deze grafiek de totale constante kosten, indien de monopolist 300 producten maakt.

a

Maximale winst wordt gehaald bij de productieomvang waar MO=MK

De winst per product is voor elk product hetzelfde. Er ontstaat dus een rechthoek.

Oppervlakte = lengte × breedte 
TW                 =     Q     ×    GW

GW = GO – GTK

b

Oppervlakte = lengte × breedte 
TCK               =      Q    ×    GCK

GCK = GTK – GVK
GVK = MK

Vraag 3

a

Arceer in deze grafiek de totale omzet indien de monopolist streeft naar maximale totale winst.

Maximale winst wordt gehaald bij de productieomvang waar MO=MK

Oppervlakte = lengte × breedte 
TO                  =    P      ×      Q

Vraag 4

a

Arceer in deze grafiek de totale kosten voor de overheid die ontstaan door de noodzaak om het aanbodoverschot op te kopen bij deze minimumprijs.

b

Arceer de afname van het consumentensurplus dat ontstaat door instellen van de minimumprijs.

a

Het bedrag dat de overheid per product moet betalen is steeds hetzelfde. Dus een rechthoek.

b

Een verandering van een surplus kun je het beste vinden door het surplus VOOR en NA in te tekenen. Daarna zie je het verschil wel.

1a

Elk product levert € 300 op.
In totaal worden er 12 mln. producten verkocht.

Omzet = prijs × hoeveelheid

1b

Het bedrag dat elke consument bereid is méér te betalen (prijs op qv-lijn) dan de marktprijs is een surplus.

Weergegeven met de groene driehoek.

2a

Bij een productie van 8 mln. stuks, geldt:

P = € 400
GTK = € 300

Er wordt dus € 100 winst gemaakt per product
en dat 8 mln. keer.

2b

Het verschil tussen GTK en GVK zijn de GCK (gemiddelde constante kosten).

Door dat bedrag (GCK) te vermenigvuldigen met de hoeveelheid producten, krijg je de totale constante kosten.
TCK = GCK × Q

3

Er worden 20.000 producten geproduceerd,
voor een prijs van € 200.

TO = p × q

4a

De kosten voor de overheid bestaan uit het aantal producten dat zij moeten opkopen (het verschil tussen Qa en Qv).
Daarvoor moeten zij de Pmin betalen per product.

TK = (Qa – Qv) × Pmin

4b

Groene arcering: oude consumentensurplus (zonder ingrijpen)

Rode arcering: nieuwe surplus (bij minimumprijs)

Blauwe gebied: het verlies aan surplus.

print
2017-10-05T13:25:02+00:00