Opgave 3 – Basisvragen aanbodlijn

Opgave 3 – Basisvragen aanbodlijn

Vraag 1

Teken steeds bij de gegeven vraaglijnen de gevraagde aanbodlijn.

a

basisQv_0Bij de vraaglijn Qv = – 4p + 1000

 

De aanbodlijn Qa = 5p – 250

b

basisQv_1Bij de vraaglijn Qv = – 1,45p + 4000

 

De aanbodlijn Qa = 4p – 4000

c

basisQv_4Bij de vraaglijn Qv = – 0,75p + 150

 

De aanbodlijn Qa = 100

Vraag 2

a

Verklaar de economische betekenis van de aanbodlijn bij vraag 1c.

b

Bij welke producten loopt de aanbodlijn op deze manier?

Vraag 1

a

basisQa_1Bereken eerst het beginpunt van de lijn door Qa = 0 in te vullen:

Qa = 5p – 250
0 = 5p – 250
5p = 250
p = 50

Kies dan een andere waarde van p om daarbij de aangeboden hoeveelheid uit te rekenen.
Niet te dichtbij en ook niet helemaal bovenaan is meestal het handigst.

Bijvoorbeeld p = 250
Qa = 5 x 250 – 250 = 1000

b

basisQa_2Bereken eerst het beginpunt van de lijn door Qa = 0 in te vullen:

Qa = 4p – 4000
0 = 4p – 4000
4p = 4000
p = 1000

Kies dan een andere waarde van p om daarbij de aangeboden hoeveelheid uit te rekenen.
Niet te dichtbij en ook niet helemaal bovenaan is meestal het handigst.

Bijvoorbeeld p = 2000
Qa = 4 x 2000 – 4000 = 4000

c

basisQa_3 Qa = 0 invullen levert nu een onmogelijkheid op. (0 is niet gelijk aan 100!)

Qa = 100

Er komt altijd Q = 100 uit.

Vraag 2

a

Bij elke prijs is het aanbod 100 (of eigenlijk 1 mln).

Dat wil blijkbaar zeggen dat producenten met hun aanbod niet reageren op de prijs.

c

Vooral landbouwproducten hebben hiermee te maken.

Dat komt omdat je door eerdere beslissingen of factoren op een bepaald moment de producten hebt (de tomaten zijn rijp).
En omdat ze bederfelijk zijn, kun je ook niet wachten tot de prijs hoger wordt. Rijp = verkopen, ongeacht de prijs.

Eigenlijk geldt hier wel een minimaal bedrag; een aanbieder zal het niet aanbieden wanneer de prijs onder de variabele kosten per product komt.

print
2017-11-30T11:20:59+00:00