Westland en Oostland vormen elkaars belangrijkste handelspartners. De economie van Westland verkeert in een laagconjunctuur met een ruime arbeidsmarkt. De economie van Oostland verkeert in een hoogconjunctuur met een krappe arbeidsmarkt. Figuur 1 toont het trilemma dat kan worden gebruikt om te analyseren welke drie beleidsopties er zijn om beide economieën in een evenwichtige situatie te krijgen.

figuur 1  het trilemma van monetair beleid

1 Leg uit dat bij beleidsoptie B internationaal kapitaalverkeer moet worden beperkt.

Wat zal de Centrale Bank bij een laagconjunctuur doen met de rente (onafhankelijk rentebeleid)?
En welke gevolg heeft dat voor de (vaste) wisselkoers? Hoe komt dat?

Bij beleidsoptie A kunnen de Westlandse en Oostlandse centrale banken geen eigen rentebeleid voeren. Ze voeren dan dezelfde rente die voor Westland te hoog is en voor Oostland te laag is.

2 Leg uit dat het voeren van dezelfde rente tot verdere conjuncturele problemen in beide landen leidt.

Wat doet een te hoge rente voor de conjunctuur in Westland?
Wat doet een te lage rente voor de conjunctuur in Oostland?

De introductie van vaste wisselkoersen moet in beide landen leiden tot een evenwichtige arbeidsmarkt. Dan moet er worden voldaan aan twee voorwaarden:

  1. onbeperkte arbeidsmobiliteit tussen landen en sectoren
  2. relatief weinig loonrigiditeit / prijsrigiditeit
3 Kies een van de twee voorwaarden en leg uit dat deze voorwaarde tot een evenwichtige arbeidsmarkt kan leiden in beide landen.

Met arbeidsmobiliteit wordt bedoeld dat arbeiders van het ene land naar het andere land kunnen gaan om daar te werken.

1

Een voorbeeld van een juist antwoord is:

  • Als de centrale bank de rente verhoogt bij een vaste wisselkoers, ontstaat er een kapitaalstroom vanuit het buitenland naar dit land omdat de rente er hoger is. Dat betekent dat de koers zal appreciëren.
  • Om dat te voorkomen moet de centrale bank de kapitaalstroom tegenhouden en daardoor wordt het kapitaalverkeer beperkt.
2

Een voorbeeld van een juist antwoord is:

  • Westland zit in een laagconjunctuur en heeft behoefte aan een lage rente. De (te) hoge rente voor Westland zorgt ervoor dat bestedingen verder dalen en dat de werkloosheid relatief hoog blijft.
  • In Oostland zorgt de (te) lage rente voor meer bestedingen. De (bestedings)inflatie in de hoogconjunctuur wordt dan niet bestreden en daardoor blijft de inflatie op een relatief hoog peil / blijft de arbeidsmarkt krap.
3
  • Een voorbeeld van een juist antwoord voor de eerste voorwaarde is:
    Als arbeidsmobiliteit onbeperkt mogelijk is, kunnen werklozen uit Westland makkelijker gaan werken in Oostland. Hierdoor zal de ruime arbeidsmarkt in het ene land krapper worden en de krappe arbeidsmarkt in het andere land ruimer (waardoor de markten evenwichtiger worden).
  • Een voorbeeld van een juist antwoord voor de tweede voorwaarde is:
    In een laagconjunctuur zal een relatief lage loonrigiditeit / hoge flexibiliteit ervoor zorgen dat lonen zich sneller (naar beneden) aanpassen. In een hoogconjunctuur passen de lonen zich sneller aan naar boven, waardoor de arbeidsmarkt in beide landen sneller in evenwicht komt.
print