Opdracht 1

a B
b D
c B

Opdracht 2

a

Bij een prijs van € 0,35 kunnen we uitrekenen dat:

Vraag = -2×35 + 100 = 30 (miljoen stuks)
Aanbod = 2,5×35 – 25 = 62,5 (miljoen stuks)

Het totale aanbodoverschot bedraagt dus 32,5 miljoen stuks.

b

De overheid moet het overschot opkopen tegen de minimumprijs.
Dat kost dus 32,5 miljoen stuks × € 0,35 = € 12.875.000

c

Het producentensurplus neemt flink toe (doordat de overheid de producten opkoopt).
Het oranje omcirkelde gebied is het extra surplus dat ontstaat door de minimumprijs.

Bedenk wel dat de kosten voor de overheid vele malen groter zijn dan de toename van het totale consumenten- en producentensurplus.

Opdracht 3

a

Bij de garantieprijs van € 0,17 geldt:

Vraag = 80 mln.
Aanbod = 150 mln.

Dus een productieoverschot van 70 mln. stuks.

b

Wanneer de producenten in eigen land € 0,17 ontvangen en op de wereldmarkt de producten te koop zijn voor € 0,10, dan zal de overheid ervoor moeten zorgen dat de buitenlandse producten in eigen land tenminste (of meer dan) € 0,17 kosten.
Een extra heffing van € 0,07 is dus minimaal noodzakelijk.

c

Wanneer ook land X een prijs van € 0,10 gaat gelden, dan zal:

Vraag binnenlandse consument = 150 mln.
Aanbod binnenlandse producent = 62,5 mln.

Binnenlandse producenten leveren dus 62,5 mln. van de gevraagde 150 mln. producten.
De rest zal dus geïmporteerd worden: 87,5 mln. stuks.

naar examens oefenen >>>
print