Opdracht 1 – begippen

Definities van begrippen heb je vaak nodig omdat bij uitlegvragen vaak deze definitie moet worden toegepast op een context.
Zonder heldere begripskennis loop je vaak een deel van de scorepunten mis.

a

Wat is een drempelinkomen?

b

Leg, met behulp van een voorbeeld, uit wat inferieure producten zijn.

c

Leg uit waarom voor de ene persoon een iPhone een noodzakelijk goed is, terwijl het voor iemand anders een luxe goed is.

Opdracht 2

a

Door een daling van het inkomen is de vraaglijn naar product X verschoven.

verschuiving

Wat voor soort product is X?

  1. Luxe
  2. Noodzakelijk
  3. Inferieur
b

De inkomenselasticiteit van een bepaald product bedraagt 0,85.
De vraag naar dit product is door een inkomensverandering met 7% toegenomen.

Hoeveel procent veranderde het inkomen in deze periode?

  1. 5,95%
  2. 8,24%
  3. 0,12%
  4. geen van de antwoorden is juist
c

Product A is een noodzakelijk product.
Het gemiddelde inkomen in een land stijgt met 3%.

Wat gebeurt er met de vraag naar dit product?

  1. daalt met meer dan 3%
  2. daalt met minder dan 3%
  3. stijgt met minder dan 3%
  4. stijgt met meer dan 3%
d

Bij een stijging van het inkomen neemt de vraag naar product C meer dan evenredig toe.

Product C is een…

  1. luxe goed
  2. noodzakelijk goed
  3. indifferent goed
  4. inferieur goed

Opdracht 3

a


Het inkomen van de consumenten steeg in een jaar met 20%.
Het effect op de markt is weergegeven in bovenstaande afbeelding.

Bereken de waarde van de inkomenselasticiteit bij de beschreven inkomensstijging.

b

Met wat voor soort product hebben we op deze markt te maken? Verklaar je antwoord op basis van de berekende elasticiteit.

nakijken >>>
print