Test basiskennis

Opgave 1 – basisbegrippen

Geef een zo duidelijk mogelijke omschrijving / definitie van onderstaande begrippen.

a

(Hoge) Tijdsvoorkeur

b

Waardevaste uitkering

c

Kapitaaldekkingsstelsel

d

Consumentenprijsindexcijfer

e

Investeren

f

Begrotingstekort

g

Laagconjunctuur

Opgave 2 – sparen en lenen

a

Schets een intertemporele budgetlijn.

b

Waardoor wordt de helling van deze intertemporele budgetlijn bepaald? Verklaar je antwoord.

c

Leg uit waarom het volgen van een studie gezien kan worden als intertemporele ruil.

d

Bereken de reële rente indien gegeven is dat de spaarrente bij een bank 0,5% bedraagt en de inflatie op dat moment 1,8% is.

Opgave 3 – pensioen

a

Leg uit waarom de financiering van de AOW gevoelig is voor vergrijzing.

b

Wat gebeurt er met de dekkingsgraad van een pensioenfonds als de rekenrente stijgt. Verklaar je antwoord zonder berekening.

Opgave 4 – overheid

a

Leg uit dat een stijging van het financieringstekort van de overheid, via de rente, een nadelige invloed heeft op de bedrijfsinvesteringen.

b

Leg uit waarom een financieringstekort gezien kan worden als intertemporele ruil.

c

Laat met een schets zien dat belastingheffing op een markt (volgens marktheorie) leidt tot welvaartsverlies.

Opgave 1

a

Gegeven dat mensen de voorkeur hebben voor consumptie in het heden.

b

Uitkering waarvan de hoogte jaarlijks wordt aangepast aan de inflatie, zodat de koopkracht gelijk blijft.

c

Financieringsstelsel waarbij personen premie inleggen die wordt belegd. Uit premie en beleggingsopbrengsten wordt later de uitkering gefinancierd.  

d

Gewogen gemiddelde van prijsveranderingen (ten opzichte van een basisjaar).
Maatstaf voor inflatie.

e

Aanschaffen van productiemiddelen (of: kapitaalgoederen) door overheid of bedrijven.

f

(B-O) – bedrag dat de overheid moet lenen, omdat de inkomsten kleiner zijn dan de uitgaven.

g

Periode waarin de economie minder groeit dan gemiddeld (trendmatig).

Opgave 2

a Intertemporele budgetlijn
b

De hoogte van de rente bepaalt hoeveel geld erbij komt als je spaart, of hoeveel geld je minder kunt lenen omdat je ook nog rente moet betalen.

c

Je stelt inkomen verdienen uit (dus je hebt in het heden minder consumptie) en later meer inkomen te verdienen (dus je hebt later meer consumptie).

d

Opgave 3

a

Werkenden moeten betalen voor ouderen.
Als er meer ouderen komen ten opzichte van werkenden, moeten werkenden meer geld afstaan. Dat kan solidariteit aantasten.

b

Als de rekenrente stijgt, zullen huidige bezittingen naar de toekomst harder groeien.
Je kunt dus gemakkelijker aan je toekomstige verplichtingen voldoen- de dekkingsgraad stijgt/verbetert.

Opgave 4

a

Als de overheid meer moet lenen (meer vraag op de kapitaalmarkt), dan stijgt de rente. Voor sommige bedrijfsinvesteringen zijn bij die hogere leenkosten niet meer rendabel. De investeringen dalen. (crowding out)

b

De huidige burgers krijgen meer dan waarvoor zij betalen (overheid leent geld om extra uitgaven te doen). In de toekomst moeten burgers meer belasting betalen om die schulden terug te betalen (kunnen minder consumeren).

c

heffing

print
2017-11-13T14:24:03+00:00