Voor het vak economie zijn de volgende rekenvaardigheden van belang:

basisrekenvaardigheden toepassen lineaire vergelijkingen, beschrijvende statistiek en grafieken
  • rekenregels optellen, aftrekken, vermenigvuldigen, delen,
  • positieve en negatieve getallen
  • breuken en decimalen
  • procenten, promillen en perunages
  • veranderingen in procenten en procentpunten
  • verhoudingen en schatting
  • rekenen met grote en kleine getallen
  • afrondingsregels
  • werken met eerstegraads- en tweedegraadsvergelijkingen
  • het bepalen van een eerstegraadsvergelijking als afgeleide van een tweedegraadsvergelijking
  • oplossen van een stelsel van vergelijkingen via substitutie
  • werken met assenstelsels (X en Y) en kwadranten
  • oppervlaktes arceren
  • oppervlaktes berekenen (driehoeken en rechthoeken)
  • indexcijfers: partieel, samengesteld (gewogen)
  • grafieken: lijn, staaf, cirkel; enkelvoudig en samengesteld
  • tabellen: rijen/kolommen, indeling in klassen (decielen e.d.), cumuleren
  • gemiddeldes: gewogen en ongewogen
  • berekenen van contante waarde en eindwaarde (geen reeksen)