top
logo

Login




Oefenopgave gemiddelde

Opgave 1

Het routeschema van de Eneco Tour 2009 zag er als volgt uit:

Dinsdag 18 augustus Rotterdam (NL) Rotterdam (NL) Proloog 4,4 km
Woensdag 19 augustus Aalter (B) Ardooie (B) Rit 1 184,3 km
Donderdag 20 augustus Ardooie (B) Brussel (B) Rit 2 184 km
Vrijdag 21 augustus Niel (B) Hasselt (B) Rit 3 187 km
Zaterdag 22 augustus Hasselt (B) Libramont (B) Rit 4 215,0 km
Zondag 23 augustus Roermond (NL) Sittard (NL) Rit 5 204.3 km
Maandag 24 augustus Genk (B) Roermond (NL) Rit 6 159,4 km
Dinsdag 25 augustus Amersfoort (NL) Amersfoort (NL) Ind. tijdrit 14,3 km

1 Bereken de gemiddelde ritlengte (van rit 1 tot en met 6).


Opgave 2

De resultaten van een examengroep economie zijn samengevat in onderstaande tabel.
Aantal leerlingen Cijfer
1 leerling
3 leerlingen
15 leerlingen
5 leerlingen
2 leerlingen
1 leerling
4
5
6
7
8
9

2 Bereken het gemiddelde economiecijfer (1 decimaal) van deze groep examenleerlingen.


Opgave 3

In de eerste periode van het schooljaar krijgt Jan voor het vak economie alleen maar schriftelijke overhoringen. Deze so-tjes hebben allemaal dezelfde weging (1).
Hij haalt achtereenvolgens de volgende cijfers: 7,5  -  6,8  -  8,0  -  5,1
3 Bereken welk cijfer Jan voor economie op zijn eerste rapport krijgt.

In de tweede periode krijgt Jan ook repetities. Deze repetities tellen 2x zo zwaar als so-tjes. Ze krijgen dus een weging 2.
In periode 2 haalt hij de volgende cijfers: 3,8 (so)  - 6,6 (rep)  -  8,0 (rep)  - 7,0 (so).
De school werkt met een doorlopend gemiddelde, zodat ook de cijfers uit periode 1 gewoon meetellen.
4 Bereken welk cijfer Jan voor economie op zijn tweede rapport krijgt.


Opgave 4

Iemand geeft zijn gehele inkomen uit aan 10 goederen.
Slechts 2 van deze goederen veranderen van prijs.
Het ene goed dat in prijs verandert, stijgt met 8% in prijs.
Het andere goed dat in prijs verandert, stijgt met 3% in prijs.
Het aandeel van het eerste goed in de totale uitgaven bedraagt 20%.
Het aandeel van het tweede goed in de totale uitgaven bedraagt 25%.

5 Met hoeveel procent zijn de totale kosten van deze persoon veranderd?

 

Opgave 5

Iemand geeft al zijn geld uit aan 4 goederen: A, B, C en D.
De prijs van goed A stijgt van f 4,10 tot f 4,80;
de prijs van goed B stijgt van f 2,00 tot f 2,50;
de prijs van goed C stijgt van f 3,00 tot f 3,80 en
de prijs van goed D daalt van f 3,50 tot f 3,20.
Aan goed A geeft deze persoon 15% uit, aan goed B 20% en aan C 15% van zijn inkomen.

6 Bereken de afzonderlijke prijsindexcijfers voor de goederen A t/m D.
7 Bereken het samengesteld ongewogen prijsindexcijfer.
8 Bereken het samengesteld gewogen prijsindexcijfer.


Opgave 6

Iemand geeft zijn gehele inkomen uit volgens onderstaand patroon:

Categorie Uitgaven per maand Prijsverandering
Voeding € 300 + 2%
Kleding € 175 - 1%
Woning € 600 + 2,8%
Ontspanning, sport en vakantie € 250 + 8%
Overige € 500 + 1,8%

9 Met hoeveel procent zijn de totale kosten van levensonderhoud voor deze persoon veranderd?
 

Opgave 7

De gemiddelde prijsstijging van alle goederen behalve autobrandstof bedroeg in het jaar 2008 2%. In dit jaar steeg autobrandstof 8% in prijs. De CPI stond begin 2008 op 100 eind 2008 op 102,4.
10 Bereken welk percentage van het inkomen werd uitgegeven aan brandstof.
 

bottom
top

Recente aanpassingen

JoomlaWatch Stats 1.2.7 by Matej Koval

Visitors

Today: 143
Last week: 3807
Total: 152363


Donatie

Spreek je waardering uit:
doneer een klein bedrag.

Amount:   EUR

Powered by OSTraining.com

Disclaimer

De inhoud van deze website is intellectueel eigendom van de auteur.
Dit auteursrecht geldt voor commercieel gebruik. Gebruik voor persoonlijke doeleinden is uiteraard toegestaan.
Het gebruik van deze website geschiedt volledig voor eigen risico. De auteur is derhalve op geen enkele wijze aansprakelijk te stellen.


bottom

Auteur is docent aan het Krimpenerwaard College.