| Sociale zekerheid |
|
|
Vooral na de Tweede Wereldoorlog voerde de Nederlandse regering tal van uitkeringen in. Hierdoor ontstond een sterk sociaal vangnet, de sociale zekerheid, ook wel de verzorgingsstaat genoemd. Hoewel de laatste decennia door noodgedwongen bezuinigen en politieke overtuigingen sociale uitkeringen verdwenen of versoberden heeft Nederland nog steeds veel uitkeringen die mensen in tijden van nood financieel ondersteunen.
Zoals uit onderstaand schem blijkt is vormt de sociale zekerheid een onderdeel van de collectieve sector. Het is géén onderdeel van de overheid, hoewel de overheid natuurlijk wel veel/alles te zeggen heeft over alle uitkeringen. De uitvoering van de sociale zekerheid wordt gedaan door aparte uitvoeringsinstellingen, zoals de sociale verzekeringsbank. Wanneer er gesproken wordt van 'sociale zekerheid' dan bedoelen we dus het geheel van allerlei uitkeringen. De verschillende uitkeringen zijn onder te verdelen in verschillende categorieën: ![]() Bij bovenstaande indeling wordt dus vooral gekeken naar de manier van financieren en voor wie de uitkering bedoeld is. Er is nog een andere manier om uitkeringen in te delen, namelijk door te kijken naar het doel van de uitkering:
Enkele belangrijke uitkeringen zijn in onderstaand schema opgenomen:
Waardevast / WelvaartsvastWaardevasten uitkering Wanneer de koopkracht van een uitkering constant gehouden wordt door de uitkering (jaarlijks) aan te passen aan de hoogte van de inflatie.
Om de koopkracht constant te houden (waardevast) moet de uitkering dus met eenzelfde percentage stijgen als de prijzen (inflatie). Welvaartsvaste uitkering Wanneer het bedrag van de uitkering met hetzelfde percentage verhoogd wordt als de gemiddelde lonen in een land, zodat de welvaartsverhouding constant blijft.Stel dat mensen met een baan jaarlijks 5% salaris erbij krijgen, terwijl de inflatie 2% is. Mensen met een baan gaan er dus jaarlijks flink in koopkracht op vooruit. Zij kunnen zich steeds meer luxe veroorloven. Stel dat de overheid de uitkeringen jaarlijks aanpast aan de inflatie. Dat klinkt heel redelijk, want dan kunnen mensen met een uitkering ieder jaar hetzelfde blijven kopen. In dat geval zullen mensen met een baan dus steeds meer luxe kunnen kopen, terwijl mensen met een uitkering dat níet kunnen. Het verschil in welvaart neemt dus steeds verder toe. Wanneer dat beperkt gebeurt, kan dat een positief gevolg hebben: mensen worden gestimuleerd om een baan te zoeken. (maar die is er niet altijd!) Maar hoe ziet dat eruit als je zoiets over een periode van 50 jaar bekijkt? Bedenk eens wat iemand met een baan 50 jaar geleden kon kopen. Wanneer jouw koopkracht op dit moment zich zou beperken tot het niveau van 50 jaar gelden zou jij je straatarm voelen. Zo'n grote welvaartsverschillen kunnen overigens tot sociale onrust leiden. Om te voorkomen dat welvaartsverschillen té groot worden is het dus van belang dat uitkeringen en lonen met hetzelfde percentage toenemen ( = welvaartsvast). i/a-ratioAls het benodigde bedrag voor uitkeringen van inactieven moet worden opgebracht door de werkenden (actieven) in datzelfde jaar [omslagstelsel], kan dat voor problemen zorgen.Wanneer er per werkende steeds meer inactieven komen, moet elke werknemer steeds meer premie betalen. Dat kan uiteindelijk onbetaalbaar worden. Om deze verhouding tussen betalers en ontvangers te bestuderen gebruiken we de i/a-ratio. Door het aantal inactieven te delen door het aantal actieven, rekenen we uit voor hoeveel uitkeringsgerechtigden één werkende premie moet betalen.
Dit probleem van een stijgende i/a-ratio speelt vooral bij de AOW-uitkering, waar door vergrijzing in de nabije toekomst de verhouding tussen actieven en inactieven uiterst problematisch wordt. Omdat men dit probleem vooraf al ziet aan komen is de overheid bezig met het creëren van een soort spaarpot, zodat op het moment dat de i/a-ratio erg onvoordelig is een deel van de benodigde gelden uit het spaarpotje kunnen komen en niet hoeven te worden betaald door de werkenden. Op deze wijze wordt in de toekomst een deel van de AOW gefinancierd via het kapitaaldekkingsstelsel (zie vervolg).
Omslagstelsen / KapitaaldekkingsstelselOmslagstelsel Stelsel waarbij de uitkeringen betaald worden door de benodigde premies (voor de uitkeringen) in een bepaald jaar te laten betalen door de werkenden van dat moment.Als er in 2002 €10 miljoen nodig is voor het betalen van de AOW-uitkeringen, moeten diegenen die in 2002 werken samen €10 miljoen premie betalen. Wanneer, bijvoorbeeld door vergrijzing, het aantal mensen met een uitkering snel stijgt en het aantal werkenden niet (i/a-ratio stijgt) ontstaat er een probleem: werkenden moeten steeds meer premie afdragen! Een zeer eenvoudig voorbeeld:
Kapitaaldekkingsstelsel Stelsel waarbij de uitkering die wordt verstrekt betaald wordt uit belegde premies (voor de uitkeringen) die door de werkende zélf werden gespaard.Een belangrijk praktijkvoorbeeld zijn de vele aanvullende pensioenen in Nederland. Hierbij betaalt een persoon premies aan een particuliere verzekeringsmaatschappij/pensioenfonds. Uit de beleggingsopbrengsten wordt later het aanvullende pensioen betaald. Omdat beleggingsredementen essentieel zijn voor de pensioenuitkering heeft dit systeem als nadeel dat het gevoelig is voor ontwikkelingen op de financiële markten (zoals het instorten van beurskoersen). Hierbij geldt wel dat beleggingen worden gedaan met een zeer lange termijnblik (30 - 35 jaar). Voordeel is dat het systeem niet gevoelig voor demografische veranderingen (vergrijzing). Het omslagstelsel is daar wél gevoelig voor. |
||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||







