| Kosten |
|
We maken onderscheid tussen twee soorten kosten: Constante kosten of vaste kosten en Variabele kosten.
In geval van constante kosten is het totaalbedrag dat een onderneming per periode kwijt niet afhankelijk van de omvang van de productie in die periode. Voorbeelden hiervan zijn bijvoorbeeld de maandelijkse rentelasten of de maandelijkse afschrijvingslasten. |
| proportioneel variabele kosten | niet-proportioneel variabele kosten | ||||
Elk product heeft dezelfde variabele kosten.
|
Er zijn verschillende mogelijkheden, maar de meest gebruikelijke is een kostenfunctie die er bijvoorbeeld als volgt uit ziet:![]()
|
Totale kosten
De totale kosten van de onderneming worden berekend door de totale constante en de totale variabele kosten bij elkaar op te tellen.Dus voor bovenstaand getallenvoorbeeld met proportioneel variabele kosten:
| q | TVK (€20 per product) |
TCK | TK TVK+TCK |
| 0 | € 0 | € 100.000 | € 100.000 |
| 100 | € 2.000 | € 100.000 | € 102.000 |
| 10.000 | € 200.000 | € 100.000 | € 300.000 |
| 100.000 | € 2.000.000 | € 100.000 | € 2.100.000 |
Dat kan natuurlijk ook per product (we spreken dan van gemiddelde...kosten):
| q | GVK (€20 per product) |
GCK | GTK GVK+GCK |
| 0 | - | - | - |
| 100 | € 20 | € 1000 | € 1020 |
| 10.000 | € 20 | € 10 | € 30 |
| 100.000 | € 20 | € 1 | € 21 |

Marginale kosten
Het bedrag waarmee de totale kosten toenemen als het bedrijf één extra product produceert.Omdat de constante kosten niet afhankelijk zijn van de omvang van de productie, kunnen bij een stijging van de productie extra kosten alleen veroorzaakt worden door de variabele kosten. Als deze variabel kosten per product bovendien ook nog steeds hetzelfde bedrag zijn (bijv. € 5,-; we spreken dan van proportioneel variabele kosten), zullen de totale kosten van het bedrijf steeds met € 5,- stijgen als er één extra product wordt gemaakt. Dus bij proportioneel variabele kosten geldt: GVK = MK.
Je kunt de marginale kosten natuurlijk ook uitrekenen door de stijging van de kosten te verdelen over het aantal producten dat extra gemaakt is (dus delen door extra productie):
of 
Als je bijvoorbeeld 50 producten méér maakt dan voorheen en de kosten zijn daardoor met € 1000,- toegenomen, zijn de marginale kosten € 20,- ( € 1000 : 50 producten = € 20,- per product).
Differentiëren
De MK kunnen ook worden berekend door de TK te differentiëren. Door de TK-functie te differentiëren kijk je immers naar de stijging van de TK bij een bepaalde productieomvang.- er kan sprake zijn van proportioneel variabele kosten (zoals in het bovenstaande voorbeeld/grafiek) dwz. elk product heeft dezelfde variabele kosten (in voorbeeld: 20)
- er kan spreke zijn van niet-proportioneel variabele kosten (in alle andere gevallen) dwz. dat de gemiddelde variabele kosten niet steeds hetzelfde bedrag zijn.
| proportioneel variabele kosten | niet-proportioneel variabele kosten | ||||
Elk product heeft dezelfde variabele kosten.
De marginale kosten (MK) kunnen we nu bepalen door de eerste afgeleide van TK of TVK te nemen: MK = 20 We zien dat ook in de grafiek: elk product dat extra gemaakt wordt laat de TK met € 20,- (de GVK) stijgen Deze maginale kosten zien er in een grafiek als volgt uit: ![]() |
Er zijn verschillende mogelijkheden, maar de meest gebruikelijke is een kostenfunctie die er bijvoorbeeld als volgt uit ziet:![]()
De marginale kosten (MK) kunnen we nu bepalen door de eerste afgeleide van TK of TVK te nemen: ![]() In een grafiek ziet dat er als volgt uit: ![]() |
De kosten grafisch weergegeven
We kunnen de kosten op twee manieren weergeven.Als totaalbedragen. We kijken dan meestal naar het verloop van TCK, TVK en TK.
Als bedragen per product. In zo'n geval worden meestal de GTK-, GVK- en TCK-lijn getekend.
We bekijken beiden aan de hand van eenzelfde getallenvoorbeeld.
Een producent heeft te maken met de volgende gegevens:
- € 800.000,- aan totale constante kosten per periode
- € 15,- aan variabele kosten per product (een vast bedrag per product, dus gelijk aan MK!)
- een productiecapaciteit van 100.000 stuks per periode
| Totaalbedragen | Bedragen per product | ||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
| TCK = 800.000 TVK = 15·q TK = 15·q + 800.000 |
GVK = 15![]() ![]() |
||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
|
|
||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
![]()
|
![]()
|












