Prijselasticiteit van de vraag-1
vraag 1
Stap 1: bereken de procentuele verandering van de prijs
Stap 2: bereken de prijselasticiteit van de vraag

⇒
vraag 2
De prijs ging met 5% omhoog.
E
pv = -0,6
%
∆prijs x E
pv = %
∆vraag ⇒ %
∆vraag: 5% x -0,6 = -3%
De nieuwe vraag wordt dus (500-3% =) 485 broden
vraag 3
De waarde ligt tussen de 0 en -1. Dat wijst erop dat de procentuele verandering van de vraag kleiner is dan de procentuele verandering van de prijs. Consumenten reageren dus zwak op een prijsverandering.
Dus er is sprake van een relatief inelastische vraag.
Prijselasticiteit van de vraag-2
vraag 4
Stap 1: bereken de procentuele verandering van de prijs
Stap 2: bereken met behulp van de elasticiteit met hoeveel procent de vraag verandert

+6% x -0,4 = -2,4%
De vraag daalt dus met 2,4%
Stap3: berken de absolute waarde van de nieuwe vraag
40.000 - 2,4% = 39.040 kaartjes
Stap 4: bereken het omzetverschil
Oude omzet: 40.000 x € 9,50 = € 380.000,-
Nieuwe omzet: 39.040 x € 10,07 = € 393.132,80
Omzet verschil: +€ 13.132,80 De omzet stijgt met €13.132,80
vraag 5
Stap 2: bereken met behulp van de elasticiteit met hoeveel procent de vraag verandert

+6% x -1,5 = -9%
De vraag daalt dus met 9%
Stap3: berken de absolute waarde van de nieuwe vraag
40.000 - 9% = 36.400 kaartjes
Stap 4: bereken het omzetverschil
Oude omzet: 40.000 x € 9,50 = € 380.000,-
Nieuwe omzet: 36.400 x € 10,07 = € 366.548,-
Omzet verschil: -€ 13.452 De omzet daalt met €13.452,-
vraag 6
Bij een inelastische vraag is de %
∆vraag < %
∆prijs.
Wanneer de prijs omhoog gaat, gaat de vraag omlaag.
In dit geval is dus de relative daling van de vraag kleiner dan de relatieve stijging van de prijs. De omzet (prijs x vraag) gaat dus omhoog.
Bij een elastische vraag is de %
∆vraag > %
∆prijs. In dat geval gaat bij een prijsverhoging de omzet omlaag.
vraag 7
Stap 1: bereken de procentuele verandering van de vraag
Stap 2: bereken de prijselasticiteit.

⇒
vraag 8
Bij het berekenen van de prijselasticiteit van de vraag, moeten alle andere factoren die óók invloed hebben op de vraag constant blijven (ceteris paribus). In de werkelijkheid zullen in de loop van de tijd enekel van die factoren wél veranderen. Zo kan bijvoorbeeld in dezelfde periode de benzineprijs zijn veranderd, zodat mensen meer/minder de auto kozen i.p.v. de trein.
Kruiselingse elasticiteit
vraag 9
In deze twee jaren is niet voldaan in de ceteris-paribus-voorwaarde. De daling van de vraag viel mee omdat steeds meer mensen digitale foto's maken, of omdat mensen steeds vaker op vakantie gaan méér foto's maken.
vraag 10

⇒
vraag 11
De kruiselingse elasticiteit is positief, dus het gaat hier om substitutiegoederen.
vraag 12
Je hebt energie (stroom) nodig om digitale fotolijstjes te gebruiken. De producten vullen elkaar aan: complementaire goederen.
Inkomenselasticiteit
vraag 13

⇒
De inkomenelasticiteit zit tussen de 0 en 1. Het gaat dus om noodzakelijke goederen, zoals brood/water/huisvesting/enz....
vraag 14
Wanneer de vraag niet verandert, zal E
i = 0
vraag 15
We spreken dan van een indifferent goed.
vraag 16

+3% x -1,33 = -4% ⇒ de vraag daalt met 4%
vraag 17
Wanneer de inkomenselasticiteit negatief is, spreken we van inferieure goederen.