| Rap tussen Keynes en Hayek |
|
In de rap komen de tegenstellingen tussen de (neo)Keynesiaanse theorie en de Oostenrijkse school op een pakkende manier aan bod. bron:econstories.tv en www.dailykos.com download songtekst en achtergrondinfo in pdf Achtergrondinfo bij de tekstSomebody Give Me A Beat
Bijna een eeuw dan. Hun rivaliteit begon in de jaren ’30 van de vorige eeuw aan het begin van de Grote Depressie.
Keynes en Hayek zijn de grondleggers van twee zeer verschillende scholen van het economisch denken. Keynes was een belangrijke voorstander van actief economisch overheidsbeleid. Zijn ideeën hebben het economisch beleid in westerse landen van de Tweede Wereldoorlog tot eind jaren '70 sterk beïnvloed. Hayek was de belangrijkste stem voor de vrije markt en tegen collectivisme. Hij behoorde tot de zogenaamde Oostenrijkse School. Hij beschreef hoe spontane orde kan ontstaan uit de ongecoördineerde acties van miljarden mensen doordat de prijzen de samenleving helpen de best keuzes te maken. Zijn ideeën, met hulp van Milton Friedman en stagflatie in de jaren '70, vernietigden Keynesianisme in de vroege jaren '80. In ieder geval tijdelijk.
Keynes schreef (letterlijk) het boek over de moderne macro-economie, de studie van handel, geld, rijkdom, de productie van goederen en diensten op een wereldwijde basis. Zijn General Theory of Employment, Interest and Money, die hij baseerde op ideeën van Adam Smith, David Ricardo en vele anderen, lag aan de basis van bijna alle macro-economische theorieën die volgden.
Voor de Grote Depressie, was de neo-klassieke economie (van o.a. Smith en Ricardo) de domineren economische stroming. Volgens de neo-Klassiekers zouden lange periodes van zeer hoge werkloosheid niet mogelijk zijn. Zij geloofden immers in perfect werkende markten, waarbij vraag en aanbod door sturing van de prijs snel weer in evenwicht zouden komen. Als de werkloosheid stijgt, moeten werkzoekenden hun looneisen verlagen. Uiteindelijk dalen lonen voldoende, zodat het rendabel is voor bedrijven om mensen in dienst te nemen, zelfs in een zware recessie. Op dat moment is de arbeidsmarkt weer in evenwicht, de werkloosheid daalt tot vóór de crisis en de economie kan weer beginnen te groeien. Tijdens de Grote Depressie stijgt de werkloosheid tot ongekende hoogte en verliestde neo-klassieke theorie aan geloofwaardigheid.
De neo-Keynesianen, die voortbouwden op het werk van Keynes, verklaarden dit fenomeen met de introductie van ‘prijsstarheid’. Zij zagen dat de fabrikanten geen onbeperkte flexibiliteit hebben bij het vaststellen van prijzen. Ze worden ingesloten door lange termijn contracten, verzonken kosten in voorraden en de gebruikelijke prijsschema's. Ze konden niet reageren als de perfecte bedrijven van de neo-klassieke theorie.
Op dezelfde manier kunnen (of willen) werknemers geen sterke loondaling accepteren alleen maar omwille van het behouden van een baan. Het loon zou zo laag kunnen worden dat de werknemer er niet van kan leven of dat hij denkt dat er ergens een betere baan is. In die gevallen is het zinvol voor hem om werkloos te blijven, zodat hij al zijn tijd kan besteden aan het zoeken naar een betere baan.
De neo-Keynesianen voerden aan dat deze prijsstarheid (en "loonstarheid") de economische zelfcorrectie voorkomt. Alleen overheidsinterventie zou dit kunnen doorbreken. In de video rapt Keynes zelf over ideeën als prijsstarheid, hetgeen echter iets is van zijn neo-Keynesiaanse volgelingen.
Hetzelfde geldt voor Hayekin zijn helft.
De Keynesiaanse theorie in gemakkelijk te verkopen. Als mensen geen werk hebben vanwege de dalende vraag, verhoog dan de overheidsuitgaven om de vraag weer te laten toenemen. Het is gewoon logisch.
C+I+O=Y De centrale macro-economische vergelijking. Consumptie (C), Investeringen (I) en Overheidsbestedingen (O) vormen samen de effectieve vraag (geaggregeerde vraag). [eigenlijk horen E-M er ook bij, maar dat past niet in de rap] Keynes dacht dat zolang Y groeide de economie gezond zou zijn. Als C en I tegenvallen, kun je met het stimuleren van O de economie draaiende houden. Natuurlijk wist Keynes dat dit een korte termijn strategie was. Het verhogen van O was alleen bedoeld om de dip te overbruggen tot Cen I herstelden en om dat herstel te versnellen.
Keynesiaans stimuleringsbeleid moet komen van de overheidsuitgaven. In het model van Keynesis er geen andere bron, omdat de consumptie (C) al daalt als een baksteenen de investeringen (I) zijn gestopt. Alleen de overheid, met zijn grote capaciteit om geld te lenen (of gewoon af te drukken) kan de boel nog stimuleren.
Met de zinsnede “In the long run we are all dead.” wilde Keynes erop wijzen dat economen het zichzelf vaak te makkelijk maken door erop te wijzen dat ‘na regen weer zonneschijn komt’ (op de lange termijn het probleem zichzelf wel weer zal oplossen). De zin is echter een eigen leven gaan leiden. Tegenwoordig betekent het ‘De economie is in nood. We moeten nú iets doen. We kijken later wel hoe we de schadelijke gevolgen van onze ingreep oplossen.’
Keynes’ 'spaar paradox’ stelt dat totale besparingen zouden kunnen dalen, hoewel iedereen probeert om meer te sparen. De paradox ontstaat doordat wanneer de mensen meer sparen, zij de snelheid waarmee geld door de economie stroomt vertragen (de omloopsnelheid van het geld). Dat vermindert ieders inkomsten en daarmee hun mogelijkheden om te sparen. Als ik eens per week een dag niet eet, om meer te sparen, dan vermindert dat de geldstroom naar de lokale supermarkt. Ze kopen daardoor minder bij hun groothandelaren, die minder kopen bij hun leveranciers en zo voort en zo voort. Een punt van kritiek op de spaar paradox is dat het de effecten op de investeringen negeert. Als mensen geld sparen, moet dat geld ergens heen. Onder normale omstandigheden zou dat geld gebruikt worden voor investeringen. Als besparingen zich ophopen bij banken en andere instellingen, moet dat leiden tot een daling van het rentepeil waardoor het eenvoudiger en winstgevender voor bedrijven wordt om te lenen. Dat leidt tot een stijging van de investeringen, dus het vermijden van de paradox.
Zou het kunnen dat de 'animal spirits' de spaarparadox veroorzaken? Met de term "animalspirits" doelde Keynes op het algemene niveau van vertrouwen dat mensen hebben over de toekomst. Het is hun instinct dat hen vertelt of dingen beter of slechter zullen gaan.
Een groeiend vertrouwen zorgt ervoor dat mensen meer besteden en bedrijven meer investeren. Overtuigt van een optimistische toekomst, nemen ze de risico's die nodig zijn voor economische groei.
Maar daalt het vertrouwen, dan hamsteren ze hun geld en vermijden ze risico's. Over de huidige economische crisis wordt ook wel gezegd dat het meer om een gebrek aan vertrouwen gaat dan om economische tekortkomingen. Het is een probleem voor psychologen, niet voor economen.
Keynes pleitte niet alleen voor fiscale stimulans, waardoor mensen simpelweg hun uitweg uit een recessie wegkopen. Hij adviseerde ook een stimulerend monetair beleid, het manipuleren van de geldhoeveelheid door middel van rente en inflatie, om de economie aan te jagen. Tegenwoordig zijn we bang voor op hol geslagen inflatie. Inflatie als oplossing voor een depressie is ons vreemd. Maar het grote probleem tijdens de Depressie was deflatie. Inflatie zorgt ervoor dat je het geld snel wil uitgeven, omdat je er morgen minder voor kunt kopen. Deflatie heeft het tegenovergestelde effect: je moet je geld zo lang mogelijk vast houden, want morgen kun je er meer voor kopen. Dat vermindert de omloopsnelheid en verergert de economische crisis. Men moest er in die tijd dus voor zorgen dat er juist weer inflatie kwam.
In zijn General Theory, schreef Keynes: "door gaten te graven in de grond, betaald uit besparingen, zal niet alleen de werkgelegenheid toenemen, maar ook de productie van nuttige goederen en diensten." Merk op dat hij zei: "betaald uit besparingen" niet "betaald door het hele land te verpatsen aan de Chinezen". Veel neo-Keynesianen, in het bijzonder politici, missen dit belangrijke onderscheid.
Maar zelfs wanneer het graven van sloten betaald wordt uit de besparingen, is het niet de beste manier om een economie opnieuw op te starten, "Het is echter niet verstandig dat een gemeenschap tevreden zou moeten zijn met het afhankelijk blijven van zulke toevallige en verkwistende maatregelen".
Na een decennium depressie, besefte Keynes dat de economie wel een zeer grote stimulans vereist. De escalerende oorlog op het continent rechtvaardigde die uitgaven. "Het lijkt politiek onhaalbaar voor een kapitalistische democratie om de uitgaven te organiseren op een schaal die nodig is voor het grote experiment dat nodig is om mijn theorie te bewijzen - Behalve in tijden van oorlog"
Keynes was niet van mening dat het beginnen van een oorlog een goed idee was om de Depressie te bestrijden, maar hij dacht wel dat die oorlogsuitgaven dat doel zou realiseren. Vanaf Adam Smith hebben de meeste economen altijd beweerd dat oorlog armoede en niet welvaart veroorzaakt.
Oorlog als economische stimulans? Als Frederic Bastiat,110 jaar geleden, aantoonde dat het ingooien van een ruit leidt tot welvaartsverlies voor de samenleving, hoe kan het vernietigen van een heel continent dan zorgen voor welvaartswinst?
De stimulerende werking van een extra uitgegeven dollar op de economie stopt niet wanneer hij wordt besteed. De ontvanger van die dollar zal een stuk houden, als winst, en besteedt de rest bij zijn leveranciers. De dollar blijft stromen door de economie (kringloop, alweer) en het uiteindelijke effect is de som van alle daaropvolgende transacties die ontstaan. Het is moeilijk een multiplier te meten. Meestal schat men de multiplier tussen 1,5 en 2. Hoewel sommigen zelf 5 noemen.
Andere economen beweren dat de multiplier kleiner is dan 1. Dat meer dan een dollar van de overheidsuitgaven nodig is om een dollar economische activiteit te bereiken.
Keynesiaanse economie zit vol gevaren, waarbij normale economische mechanismen machteloos zijn en alleen overheidsingrijpen ons kan redden. De liquiditeitsval is zo'n gevaar. Zo’n liquiditeitsval doet zich voor wanneer de rente zo laag wordt dat mensen en instellingen de voorkeur geven om contant geld aan te houden in plaats van investeringen en leningen te verstrekken.
Ze willen het geld als zekerheid tegen toekomstige onzekerheid. De minuscule winst die ze kunnen krijgen uit investeringsactiviteiten (rente) is niet genoeg om hen te verleiden om hun cash te riskeren. Wanneer de economie in een liquiditeitsval zit hoopt het geld zich op in banken, in de vorm van deposito's en reserves. Bedrijven hebben moeite om de financiering van hun activiteiten voor elkaar te krijgen. Dit versterkt de economische malaise. Vandaag de dag is de door Keynes beschreven liquiditeitsval uit de gratie geraakt bij de meeste economen. Maar wanneer de rente daalt richting nul, wordt hij toch weer uit de kast gehaald.
Veel mensen zeggen met trots Keynesiaan te zijn. Hoeveel van hen herinneren zich dat het Richard Nixon was, die deze uitspraak beroemd maakte?
Hij bekeerde zich tot Keynesianisme in 1971 toen de oorlogsuitgaven en de eerste tekenen van de komende stagflatie zijn kansen op herverkiezing in gevaar brachten. Hoe oprecht deze ‘bekering’ van Nixon en andere politici die anticyclisch begrotingsbeleid bepleitten in tijden van economische neergang is, is echter de vraag. Keynesianisme werd zwaar bekritiseerd in de jaren '60 en '70. Hadden zij écht nieuwe bewijzen voor hun macro-economische theorie?
Of waren ze gewoon bang om beschuldigd te worden van ‘niets doen’ terwijl de economie instort? "We moeten iets doen. Dit is iets. Daarom moeten we dit doen."
Een belangrijke kritiek op C +I +O =Y is dat die vier simpele variabelen de enorme complexiteit van het geheel verhullen. In de VS alleen vertegenwoordigt C de uitgaven, voorkeuren en gewoonten van 308 miljoen mensen en is O zo’n 4 biljoen dollar! Hayek vond deze geaggregeerde cijfers zinloos en misleidend. Beleid dat voorbij gaat aan de complexiteit achter deze grootheden heeft gewoon geen kans van slagen.
Wanneer bijvoorbeeld de officiële werkloosheid zo'n 10% is, dan zou de overheid kunnen proberen om dit percentage te verlagen met algemene stimuleringsuitgaven. Maar wellicht levert een stijging van algemene uitgaven niet de grootst mogelijke stimulans. Ga op zoek onder de motorkap beleidsmakers! Als dan blijkt dat bijna een kwart van de werklozen bouwvakkers zijn, kun je gericht stimuleren! Met grote infrastructuurprojecten kun je die bouwvakkers weer aan het werk krijgen. Maar het is nóg complexer. Die bouwvakkers hebben verschillende vaardigheden en zijn ongelijk verspreid over het land. Hoeveel van hen zijn behangers of schilders die in het geheel niet profiteren van de aanleg van een nieuwe snelweg? En zijn de projecten wel voldoende geconcentreerd in de gebieden met de hoogste werkloosheid? Laten we eerlijk zijn, politici bepalen waar en waaraan het geld wordt uitgegeven.
Het zou een wonder zijn als hun politieke belangen samen zouden vallen met de economische belangen. Het maakt niet uit hoe nauwkeurig beleidsmakers hun interventies bepalen, er zal altijd sprake zijn van tegengestelde belangen. Dit is een van de sterkste argumenten van Hayek tegen centrale planning/stimulering.
Wanneer je C, I en O als echte variabelen behandeld, mis je ook hoe mensen reageren op pogingen van de overheid om deze grootheden te manipuleren. Natuurkundigen kunnen wegkomen met vergelijkingen zoals PV =nRT omdat de miljarden moleculen in een monster van gas in principe allemaal identiek zijn. Ze zijn voor de meeste doeleinden, uitwisselbaar. Dat maakt het wel gemakkelijk. Economen hebben die luxe niet. Mensen stuiteren niet over de aarde als hersenloze atomen in een pot. Mensen hebben unieke doelen, wensen en vaardigheden. Ze zullen zich zo gedragen dat zij hun behoeften zo goed mogelijk kunnen realiseren, ongeacht de wijze waarop beleidsmakers willen of verwachten dat ze reageren.
Zo probeerde Bush met fiscale kortingen de economie te stimuleren. Dat lukte niet omdat de mensen het extra geld niet besteedden. In plaats naar het winkelcentrum te lopen in een grote stormloop van consumentisme, gebruikten zij het geld voor het afbetalen van schulden. Mensen hadden dus hun eigen ideeën en besloten anders dan Bush graag gezien had.
Politici houden van Keynes. Er is geen limiet aan hoe ver ze zijn theorieën kunnen rekken. Hoe schadelijk een programma ook is, als Keynesiaans beleid kan het altijd aan het brede publiek worden 'verkocht'.
"Stimuleringsbeleid" wordt als excuus gebruikt om vooral uitgaven op uitgaven te stapelen. Maar als deze stimuleringsprogramma's niet werken, dan hebben we ons flink in de schulden gestoken en hebben we er niets voor terug gekregen. Zelfs als de gratis lunch niet aankomt, de rekening komt wel altijd.
Aanhangers van de Oostenrijkse school zijn van mening dat de conjunctuur in de eerste plaats wordt bepaald door het monetaire beleid. Als de overheid de geldhoeveelheid sneller laat groeien dan de economie nuttig kan absorberen, zal het resultaat een speculatieve zeepbel in een of meer sectoren van de economie zijn.
Dit leidt tot de opleving van de conjunctuur. Maar als die zeepbel barst, gaat het snel neerwaarts met de reële economie.
Als we minder consumeren dan we produceren, kunnen we sparen. Dit overschot kunnen we investeren in nieuwe ideeën, nieuwe technologieën en nieuwe bedrijven die ons leven beter maken.
In de VS en West-Europa zijn we zo gewend aan sparen, beleggen en economische groei, dat we die vaak negeren. We vinden het soms zelfs een vieze, hebzuchtig, zielloze activiteit.
Toch is het bijna magie.
Het is echter wel zo dat de besparingen een productieve investering moeten vinden voor deze magie en niemand kan vooraf weten welke investering productief zal zijn. De enige manier om erachter te komen is om je inzet te plaatsen en de risico's te nemen. Wie wist 12 jaar geleden dat er iets genaamd Google centraal zou komen te staan in het werk en leven van zoveel mensen? Voor Hayek is de rente een sturend mechanisme dat helpt bij het bepalen welke investeringen de moeite waard zijn. Dit is een belangrijk punt.
De Oostenrijkse school. In de afgelopen decennia is de Oostenrijkse school steeds meer synoniem geworden voor een zeer rechts politiek beleid dat maar weinig te maken heeft met de werkelijke gedachten van deze stroming.
De volgende verzen hebben betrekking op Hayek's theorie van de conjunctuurcyclus. Hier is een globaal overzicht van de theorie. Hayek is van mening dat besparingen de snelheid bepalen waarmee de economie duurzaam kan groeien.
Het kan daarbij gaan om nationale besparingen of om de internationale overdracht van besparingen, zoals die we zien van China naar de VS. Hoe dan ook, besparingen verschaffen de middelen om de investeringscyclus en groei mogelijk te maken. De rentevergoeding op spaargeld is een signaal dat mensen vertelt hoeveel besparingen de economie winstgevend kan gebruiken. Wanneer de rente hoog is, wil dat zeggen dat ondernemers geld nodig hebben voor nieuwe ondernemingen. Als de rente laag is, is er blijkbaar genoeg geld in het systeem. In plaats daarvan zou het elders op de wereld meer kunnen opleveren / nodig zijn.
In de visie van de Oostenrijkse school werkt dit mechanisme vrij goed, maar niet perfect. De markt is niet alwetend. Het heeft geen perfecte voorkennis van de hoeveelheid spaargeld die we nodig hebben in 5, 10 of 50 jaar, maar het zou goed genoeg moeten werken om de ups en downs te matigen.
Maar de wereld werkt niet volgens de Oostenrijkse school. In onze wereld wordt de rente vastgesteld door centrale bankiers. Ze zijn onderworpen aan hun eigen vooroordelen en angsten. Dit veroorzaakt een mismatch tussen duurzame rente en de rente die de Centrale bank bepaalt.
Deze mismatch veroorzaakt de zeepbellen.
Dit zou een reden kunnen zijn waarom de Oostenrijkse school zo impopulair is. Je maakt geen vrienden door hen eraan te herinneren dat ze gisteravond te veel gedronken hebben. De Oostenrijkse school zal je geen oplossing geven om de recessie aan te pakken, want de recessie is niet het probleem. De opleving/zeepbel was het werkelijke probleem. Proberen om een recessie met meer goedkoop krediet te genezen is als proberen om chemotherapie met meer kanker te genezen.
Toch is het niet allemaal kommer en kwel. Ze hebben ook positieve beleidsaanbevelingen.
Zeepbellen zijn vaak moeilijk te detecteren en wanneer ze eenmaal zijn begonnen onmogelijk te controleren. De belangrijkste beleidsdoelstelling derhalve moet het voorkomen van zeepbellen zijn. Dat betekent: budgettaire discipline en faciliterend monetair beleid, niet proberen om de economie een zet te geven omdat er verkiezingen aankomen.
De mismatch tussen de marktrente, tot stand gekomen door de balans tussen sparen en investeren, en de lagere rente die door de centrale bankiers is vastgesteld stimuleert speculatieve investeringen die daardoor minder risicovol en dus meer winstgevend lijken. Veel projecten die nooit financiering zouden vinden tegen het duurdere markttarief gaan nu wél door.
Het is het ineenstorten van deze slechte investeringen dat de crisis veroorzaakt.
Centrale bankiers zijn onderhevig aan vele politieke en beleidsmatige beperkingen. De Federal Reserve wordt uitdrukkelijk belast, door wet, om de inflatie te beheersen en de werkloosheid laag te houden. Centrale bankiers zullen de rente vaststellen op basis van deze druk. Ze zullen dus niet proberen om het juiste "natuurlijke" tarief te vinden. Ze proberen de politieke wensen te realiseren.
Inflatie is meer dan alleen maar stijgende prijzen. Het is altijd een monetair fenomeen dat ontstaat wanneer de geldhoeveelheid sneller stijgt dan de economie productief kan opnemen. Inflatie vertekent de prijzen, terwijl de prijzen juist mensen informatie moet verschaffen over wat de moeite waard is om te kopen en wat de moeite waard is om in te investeren.
Inflatie geeft bedrijven de mogelijkheid om de prijzen te verhogen zonder dat het ten koste gaat van de vraag. Ze investeren in nieuwe banen en machines, in afwachting van nog meer toekomstige vraag. Ze bouwen meer huizen, meer auto's en meer van alles. Zo leggen zij de basis voor een volgende crash.
De goede tijden zijn slechts een illusie. Uiteindelijk zijn de bronnen van gemakkelijk geld opgedroogd en zal de rente weer stijgen. Investeerders die voor de gek gehouden werden door een lage rente merken nu dat hun projecten niet winstgevend zijn. Sommige projecten gaan failliet en de overige investeerders vinden slechts met moeite de nieuwe financiering om door te kunnen gaan. Als investeerders dom genoeg waren om hun lange termijn projecten te financieren met schulden op korte termijn, zullen zij er niet in slagen deze opnieuw te financieren. Hetzelfde geldt voor huiseigenaren met flexibele rentetarieven op hun hypotheken, zodat zij een groter huis konden kopen dan ze zich konden veroorloven.
Zonder de mogelijkheid om de schulden door te rollen, zullen deze slechte investeringen instorten.
Besparingen, die ooit productieve rijkdom waren, zijn omgezet in verlaten appartementen en onverkochte voorraden in elektronicawinkels.
In Weimar Duitsland stonden drukkerijen 24/7 te draaien vanwege hun hyperinflatie. Tegenwoordig hoeven we alleen maar wat getallen in een computer op te hogen. Maar wanneer je de geldhoeveelheid te hard laat groeien zal een depressie volgen.
Keynes wist dat er betere manieren zijn om de economie te stimuleren dan rotsen opstapelen of elkaar doden. Maar als politici geen slimmer beleid kunnen verzinnen, dan is het opstapelen van rotsen voldoende om de economie te stimuleren. Hayek zegt: "Kijk naar hoe mensen zullen reageren op deze perverse prikkels. Als we met miljarden dollars beginnen met het bouwen van piramides, hebben we al snel te maken met een piramidelobby, piramidescholen, lopende band steenhouwers, sleetrekkers en oprit makers."
Voor je het weet zijn we gegijzeld door de piramide-industrie. De economie zal stagneren.
De liquiditeitsval; waar het geld zich ophoopt in de banken, omdat mensen vertrouwen in de toekomst verliezen. Met gigantisch oplopende bankreserves tussen 2008 en 2010 lijkt dit op een klassieke liquiditeitsval, maar dat is echter niet zo. Banken houden grote en groeiende hoeveelheden geld in reserve, omdat we hen daarvoor betalen! De Centrale Banken betalen banken rente op reservefondsen.
In een tijd waarin kleine bedrijven nauwelijks in staat zijn aan een lening te komen, betalen we de banken om geld op de plank te houden. Het idee is om banken met nieuw geld en nieuwe reserves te versterken zonder dat het nieuwe geld daadwerkelijk de reële economie bereikt, waar het zou kunnen leiden tot inflatie. Het kan werken, maar het is niet iets wat Hayek zou goedkeuren.
|



