De totale vraag naar goederen en diensten in een land (in een bepaalde periode)
(voor zover die vraag beslag legt op productiefactoren in dat land.)
Ook wel: Bestedingen
Omschrijving
Deze vraag wordt uitgeoefend door:
- Gezinnen: consumptieve vraag (C)
- Bedrijven: investeringen (I)
- Overheid: overheidsbestedingen (O)
- Buitenland: export (E)
- Omdat in al deze bovenstaande bestedingen ook producten zitten die wij uit het buitenland invoeren (en dus niet in ons land tot productie leiden), moeten we deze import (M) in mindering brengen op het totaal.
Waardoor geldt: EV = C + I + O + E - M
De hoogte van de effectieve vraag wordt onder andere bepaald door:
- de koopkracht van de inwoners (inkomensontwikkeling en prijsontwikkeling)
- de hoogte van de rente (goedkoper lenen → meer lenen → meer kopen)
- het vertrouwen van gezinnen en bedrijven in de toekomst (hoger vertrouwen → meer uitgeven)
- de economische ontwikkeling in het buitenland (hogere groei in het buitenland → meer export voor ons)
Verwarring
De meestgemaakte fout is dat leerlingen 'effectieve vraag' (of 'bestedingen') gaan zien als 'consumptie'. En hoewel de consumptieve uitgaven door gezinnen wellicht als de belangrijkste besteding kunnen worden gezien, is consumptie slechts één onderdeel van de totale bestedingen. |