Stelsel waarbij de uitkeringen betaald worden door de benodigde premies (voor de uitkeringen) in een bepaald jaar te laten betalen door de werkenden van dat moment.
Omschrijving
Als er in 2002 €10 miljoen nodig is voor het betalen van de AOW-uitkeringen, moeten diegenen die in 2002 werken samen €10 miljoen premie betalen.
Wanneer, bijvoorbeeld door vergrijzing, het aantal mensen met een uitkering snel stijgt en het aantal werkenden niet (i/a-ratio stijgt) ontstaat er een probleem: werkenden moeten steeds meer premie afdragen!
Een zeer eenvoudig voorbeeld:
| Begin (2002) |
verandering |
Na 'vergrijzing' (2020) |
- 10 mln werkenden
- gem. loon € 30.000
- 2 mln uitkeringstrekkers
- gem. uitkering € 12.000
|
blijft gelijk
blijft gelijk
25% stijging
blijft gelijk
|
- 10 mln werkenden
- gem. loon € 30.000
- 2,5 mln uitkeringstrekkers
- gem. uitkering € 12.000
|
Er is in totaal
(2 mln. x €12.000 =) €24 mld. nodig voor de uitkeringen.
Dat moet betaald worden uit het inkomen van de werkenden:
€ 300 mld.
|
|
Er is in totaal
(2,5 mln. x € 12.000 =) €30 mld. nodig voor de uitkeringen.
Dat moet worden betaald uit het inkomen van de werkenden:
€ 300 mld.
|
Gemiddelde premiedruk:
 |
|
Gemiddelde premiedruk:
 |
Door de toename van het aantal uitkeringstrekkers ten opzichte van het aantal mensen dat daarvoor moet betalen, neemt de premiedruk voor de werkenden fors toe. Hoewel dit probleem meestal in relatie tot de vergrijzing wordt besproken, geldt het voor álle uitkeringen die gefinancierd worden middels een omslagstelsel. |